ECLI:NL:CRVB:2008:BC9260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling gedifferentieerde WAO-premie na gedeeltelijke overname onderneming
Appellante, een houdster- en beheermaatschappij actief in de detailhandel van meubelen, heeft na het faillissement van meerdere vennootschappen een aantal vestigingen en personeel overgenomen. Zij verzocht het UWV om met terugwerkende kracht als grote werkgever te worden aangemerkt, waarna het UWV de gedifferentieerde WAO-premie voor de jaren 2002 tot en met 2006 vaststelde op basis van een gedeeltelijke overname van onderneming.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht van overgang van onderneming was uitgegaan en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel niet slaagde. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat sprake is geweest van een gedeeltelijke overname en dat de wijze van toerekening van loonsommen en arbeidsongeschiktheidslasten niet betwist wordt.
De Raad overweegt dat het UWV bevoegd was om de premie vast te stellen en terug te komen op eerdere besluiten, ook ten nadele van appellante, zonder schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat geen sprake is van een andere, onrechtmatige praktijk. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de gedifferentieerde WAO-premie heeft vastgesteld na gedeeltelijke overname van onderneming.