ECLI:NL:CRVB:2008:BC9152
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Verzoekster ontving bijstand als alleenstaande ouder van 2002 tot 2006, maar het College trok deze bijstand in per 1 januari 2002 vanwege het niet melden van een gezamenlijke huishouding met betrokkene. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking ongegrond. Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om een voorschot op de bijstand te ontvangen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking geen straf maar een herstelmaatregel is gericht op het corrigeren van onjuiste toekenning. Er was voldoende grond voor een huisbezoek ter verificatie van de woonsituatie. De voorzieningenrechter verwierp het argument dat voorafgaand aan het bezoek informed consent of een cautie had moeten worden gegeven.
Ook het beroep op discriminatie vanwege zorgrelaties werd afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van hulpbehoevendheid en gezamenlijke huishouding conform de uitzonderingsgroepen in de WWB en AOW. De voorlopige voorziening werd afgewezen omdat de belangenafweging geen spoedeisendheid rechtvaardigde en de hoofdzaak in een bodemprocedure moet worden behandeld.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de intrekking van bijstand wegens gezamenlijke huishouding wordt afgewezen.