ECLI:NL:CRVB:2008:BC8339
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging WAO-dagloon bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering
Appellante, geboren in 1977, was werkzaam in het fotografiebedrijf van haar moeder en stopte op 2 juli 2001 vanwege psychische klachten. Vanaf 21 augustus 2000 ontving zij een Wajong-uitkering wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Later werd haar een WAO-uitkering toegekend met een dagloon vastgesteld op €75,85, dat bij gedeeltelijke werkhervatting werd aangepast.
Het UWV stelde het dagloon per 1 juli 2002 vast op €40,80, omdat appellante bij aanvang van haar WAO-verzekering reeds gedeeltelijk arbeidsongeschikt was, wat weerslag moest vinden in de dagloonvaststelling. Appellante voerde aan dat zij voor haar ziekmelding 36 uur per week werkte en een volwaardige prestatie leverde, en betwistte kennis te hebben genomen van arbeidskundige rapportages.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de feitelijke werktijd van 20 uur per week als reëel moest worden beschouwd, gebaseerd op arbeidskundige rapportages en gesprekken met appellante en haar ouders. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak, wijzend op het ontbreken van bezwaar tegen het vastgestelde arbeidsongeschiktheidspercentage en het feit dat appellante ook geen bezwaar maakte tegen de Wajong-uitkering.
De Raad concludeert dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering vaststaat en dat het dagloon terecht is aangepast. Er zijn geen gronden voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de verlaging van het WAO-dagloon vanwege gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering.