ECLI:NL:CRVB:2008:BC7027

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2848 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8 WgblaEG-richtlijn 2000/78Tijdelijk besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid en leeftijdscriterium FPU+ regeling Belastingdienst

Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst en geboren in 1949, verzocht om toepassing van het FPU+ arrangement per 1 december 2005, maar dit werd afgewezen omdat alleen medewerkers van 57 jaar of ouder in aanmerking komen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het leeftijdscriterium objectief gerechtvaardigd is en niet in strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla).

In hoger beroep stelde appellant zijn grieven opnieuw, waaronder het beroep op het gelijkheidsbeginsel en zijn persoonlijke omstandigheden. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris onbevoegd was het besluit te nemen, waardoor het besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd werden. De secretaris-generaal nam het besluit later over, zonder dat appellant daardoor in zijn belangen werd geschaad.

De Raad sloot aan bij eerdere uitspraken waarin het leeftijdscriterium in het FPU+ arrangement als objectief gerechtvaardigd werd beschouwd en bevestigde dat het onderscheid niet strijdig is met de Wgbla. Ook de persoonlijke omstandigheden van appellant gaven geen aanleiding tot afwijking van het beleid. De Raad wees het verzoek tot schadevergoeding af, maar veroordeelde de Staat tot vergoeding van proceskosten wegens de onbevoegdheid van de staatssecretaris.

Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd wegens onbevoegdheid, het leeftijdscriterium in het FPU+ arrangement wordt bevestigd en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

06/2848 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 20 april 2006, nr. 05/3075 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris )
Datum uitspraak: 6 maart 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Appellant is verschenen. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door L.P. de Jonge, werkzaam bij het ministerie van Financiën.
Na de behandeling ter zitting is het onderzoek heropend en is nog een nadere vraag aan de staatssecretaris gesteld. Die vraag is beantwoord en partijen hebben nog stukken ingediend. Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven tot afdoening buiten zitting en heeft de Raad het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij circulaire van 8 april 2004, Stcrt. 21 juni 2004, nr. 115 (hierna: circulaire), heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het in maart 2004 met de sociale partners overeengekomen sociaal flankerend beleid in de sector Rijk voor de periode van 1 maart 2004 tot 1 januari 2008 bekendgemaakt. Onderdeel daarvan is het zogenoemde FPU-arrangement, dat bestaat uit een aanvulling op de FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag gedurende maximaal acht jaar en/of een 50% voortzetting van de pensioenopbouw gedurende maximaal vier jaar op kosten van de werkgever. Voor ambtenaren van 55 of 56 jaar geldt de component van voortzetting van pensioenopbouw op kosten van de werkgever niet. Dit beleid is nadien neergelegd in een regeling: het Tijdelijk besluit sociaal flankerend beleid sector Rijk van 31 december 2004, Stb. 2005, 29 (hierna: Tijdelijk besluit).
1.2. Aan de Belastingdienst is bij het Strategisch Akkoord en het Hoofdlijnenakkoord van de eerste kabinetten Balkenende een reductie van arbeidsplaatsen opgelegd van 3.450 fte per eind 2007. Met het oog daarop heeft de staatssecretaris in overeenstemming met het Georganiseerd Overleg Belastingdienst binnen de kaders van het hiervoor vermelde rijksbrede sociaal flankerend beleid op 10 mei 2004 een Tijdelijke regeling FPU-arrangement Belastingdienst (hierna: FPU+ arrangement) vastgesteld. Op grond van deze regeling komen FPU-gerechtigde ambtenaren van de Belastingdienst die geboren zijn vóór 1 januari 1948 gedurende een periode van maximaal acht jaar in aanmerking voor een aanvulling op de FPU-uitkering tot 70% van de FPU-berekeningsgrondslag en een gedeeltelijke voortzetting van de pensioenopbouw geheel voor rekening van de werkgever. Gevoegd bij een uitstroom wegens natuurlijk verloop van gemiddeld 2% per jaar zou daarmee volgens de staatssecretaris de noodzakelijke reductie van arbeidsplaatsen van 3.450 fte eind 2007 worden gehaald.
1.3. Appellant, geboren op 24 mei 1949 en werkzaam bij de Belastingdienst, heeft bij brief van 17 september 2004 een verzoek ingediend om hem per 1 december 2005 ontslag te verlenen en hem in aanmerking te brengen voor een FPU+ arrangement. Bij brief van 15 oktober 2004 is hierop namens het managementteam afwijzend gereageerd op de grond dat alleen medewerkers van 57 jaar of ouder een FPU+ arrangement wordt aangeboden. Dit besluit is gehandhaafd bij besluit van de staatssecretaris van 5 augustus 2005.
2. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Hierbij is, kort samengevat, overwogen dat in het Sociaal Flankerend Beleid voor de sector Rijk geen dwingende bepalingen zijn opgenomen die nopen tot de conclusie dat ook aan 55-jarigen een FPU+ arrangement aangeboden zou moeten worden. De staatssecretaris heeft in redelijkheid kunnen komen tot de keuze om de doelgroep van het FPU+ arrangement te beperken tot 57-jarigen, nu met die leeftijdgrens naar verwachting voldoende ambtenaren zullen uitstromen om gedwongen ontslag bij de belastingdienst te voorkomen. De rechtbank heeft geen strijd met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla) aanwezig geacht, op de grond dat sprake is van een pensioenvoorziening in de zin van artikel 8, eerste lid, van die wet en dus op grond van het tweede lid van dat artikel het verbod van onderscheid naar leeftijd op die voorziening niet van toepassing is. De rechtbank zag voorts niet dat de wetgever met de Wgbla op dit onderdeel de EG-richtlijn 2000/78 van 27 november 2000 onjuist zou hebben geïmplementeerd. Het beroep van appellant op in rechte te honoreren verwachtingen, noch het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft de rechtbank gehonoreerd. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellant aangevoerde omstandigheden met betrekking tot zijn herplaatsingsstatus en zijn psychische problematiek niet als bijzondere omstandigheden kunnen worden aangemerkt die een afwijking van het gevoerde beleid noodzakelijk maken.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn grieven in eerste aanleg herhaald en nader onderbouwd.
4. Namens de staatssecretaris is gemotiveerd verweer gevoerd.
5. De Raad overweegt als volgt.
5.1. Allereerst wordt overwogen dat naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 9 van Pro het Tijdelijk besluit de secretaris-generaal bevoegd is om een besluit te nemen op een verzoek om toepassing van het FPU+ arrangement op grond van de Tijdelijke regeling FPU-arrangement Belastingdienst. Aangezien de staatssecretaris derhalve onbevoegdelijk heeft besloten, dient het bestreden besluit te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit in stand is gelaten. Nu de secretaris-generaal dit besluit bij schrijven van 10 december 2007 voor zijn rekening heeft genomen en de Raad niet ziet dat appellant hierdoor in zijn belangen is geschaad, zal de Raad bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten.
5.2. Met betrekking tot de inhoudelijke kant van het geschil overweegt de Raad dat een groot deel van de door appellant aangevoerde grieven overeen komen met de in de zaken 05/1053 AW, 05/5923 AW en 06/274 AW door appellanten aangevoerde grieven, in welke zaken de Raad op 12 juli 2007 uitspraak heeft gedaan (LJN: BB0073). De Raad sluit dan ook aan bij die uitspraak en overweegt thans dat hij ook in de onderhavige zaak van oordeel is dat het gekozen middel geschikt is om het gestelde doel te bereiken, dat dit gekozen middel ook noodzakelijk is om het gestelde doel te bereiken en dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat er geen andere middelen zijn waarmee geen onderscheid wordt gemaakt en waartegen niet uit andere hoofde overwegende bezwaren bestaan. Er is naar het oordeel van de Raad sprake van een objectieve rechtvaardiging voor het in het beleid gemaakte onderscheid naar leeftijd. Het in het FPU+ arrangement gemaakte onderscheid naar leeftijd levert geen strijd op met de Wgbla.
5.3. Ook in deze uitspraak zal de Raad in het midden laten of sprake is van een pensioenvoorziening in de zin van artikel 8, eerste lid, van de Wgbla, en derhalve of de uitzonderingsbepaling van artikel 8, tweede lid, van toepassing is.
5.4. Appellant heeft verder nog aangevoerd dat de wijze waarop hem in december 2002 een andere, naar zijn oordeel niet passende, functie is aangeboden, waarna hij op psychische gronden ziek is geworden, zou nopen tot afwijking van het gevoerde beleid in zijn geval. De Raad ziet in deze omstandigheden evenmin als de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit in rechte onhoudbaar te achten. Appellant heeft overigens geen rechtsmiddelen aangewend tegen de benoeming in de functie van behandelsecretaris (schaal 14) per 1 januari 2003.
5.5. Ook overigens heeft de Raad in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden om het bestreden besluit in rechte inhoudelijk aan te tasten, zodat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand worden gelaten.
6. De Raad ziet geen aanleiding om het verzoek van appellant om de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van schade te honoreren. Zoals reeds onder 5.1. is overwogen is appellant niet in zijn belangen geschaad door de besluitvorming zoals deze heeft plaatsgevonden en kan het bestreden besluit de inhoudelijke toetsing doorstaan.
7. De Raad acht ten slotte wel termen aanwezig om de secretaris-generaal met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep, nu de grief van appellant met betrekking tot de onbevoegdheid doel treft en hierin pas na de zitting in hoger beroep is voorzien. Deze kosten worden begroot op
€ 322,- wegens kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 74,- wegens reiskosten in beroep en in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2005 gegrond en vernietigt dit besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de secretaris-generaal in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag van € 346,44 en in hoger beroep tot een bedrag van € 49,56, te betalen door de Staat der Nederlanden;
Bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 349,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en J. Th. Wolleswinkel en M.C. Bruning als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2008.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) K. Moaddine.
BvW