ECLI:NL:CRVB:2008:BC6708
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na mishandeling collega
Appellant was in dienst bij een werkgever als productiemedewerker en raakte op 17 oktober 2005 betrokken bij een handgemeen met een collega, waarbij deze letsel opliep. De werkgever ontsloeg appellant op staande voet vanwege mishandeling, bedreiging en belediging. De kantonrechter stelde vast dat er sprake was van een dringende reden voor ontslag.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die het UWV weigerde wegens verwijtbare werkloosheid, omdat appellant had kunnen weten dat zijn gedrag tot ontslag zou leiden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat er geen dringende reden was om af te zien van de maatregel.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hem geen verwijt kon worden gemaakt, dat getuigen ontbraken en dat de strafrechter een lagere boete oplegde dan het OM had aangeboden. Tevens stelde hij dat de weigering van de uitkering ernstige gevolgen had voor de verblijfsvergunning van zijn gezin. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de feiten voldoende waren vastgesteld, dat verwijtbaarheid aanwezig was en dat de nadelige gevolgen niet als dringende reden konden gelden.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid wordt bevestigd.