ECLI:NL:CRVB:2008:BC6705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking AOW-pensioen na overlijden echtgenoot op grond van sociaal zekerheidsverdrag
Appellante, die nooit in Nederland heeft gewoond of gewerkt, kreeg op basis van de verzekeringsperiode van haar overleden echtgenoot een AOW-pensioen toegekend. Na het overlijden van haar echtgenoot in maart 2002 trok de Sociale verzekeringsbank (Svb) het AOW-pensioen met ingang van april 2002 in en vorderde te veel betaalde bedragen terug.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij op grond van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko een zelfstandig recht op AOW-pensioen had en dat de intrekking in strijd was met het vertrouwensbeginsel, omdat zij niet tijdig was voorbereid op het inkomensverlies.
De Raad overwoog dat het verdrag vóór 1 november 2004 geen zelfstandig recht aan de gehuwde vrouw toekende en dat de beleidsmatige toepassing van artikel 21 van Pro het verdrag door de Svb rechtmatig was. De intrekking van het pensioen na overlijden van de echtgenoot was niet in strijd met het vertrouwensbeginsel. Omdat appellante geen zelfstandige gronden tegen de terugvordering aanvoerde, bevestigde de Raad de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van het AOW-pensioen na overlijden van de echtgenoot wordt bevestigd.