ECLI:NL:CRVB:2008:BC5369
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en was bij het College bekend op een bepaald adres. Na een huisbezoek en onderzoek concludeerde het College dat appellant niet woonachtig was op het opgegeven adres en trok de bijstand met terugwerkende kracht in. Tevens werd vastgesteld dat appellant studiefinanciering en een Ziektewetuitkering had ontvangen zonder dit te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld en de bijstand werd teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het College verklaarde het bezwaar ongegrond en de voorzieningenrechter bevestigde dit. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel woonachtig was op het opgegeven adres. De Raad oordeelde dat het rapport en bevindingen tijdens het huisbezoek voldoende grond boden voor het standpunt van het College dat appellant niet woonde op het adres. De stellingen van appellant boden geen voldoende tegenbewijs.
De Raad constateerde echter dat het College niet had beslist op het bezwaar tegen de brief waarin de terugvordering werd aangekondigd. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor zover daarop geen beslissing was genomen en gaf het College de opdracht alsnog te beslissen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het College wordt opgedragen alsnog te beslissen op het bezwaar tegen de brief van 9 maart 2006.