ECLI:NL:CRVB:2008:BC5204
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Wajong-uitkering wegens verblijf in België in strijd met EU-recht
Appellant kreeg zijn Wajong-uitkering beëindigd per 1 juli 1999 omdat hij in België woonde. De Raad onderzocht of deze beëindiging in overeenstemming was met het communautair recht. Het Hof van Justitie bevestigde dat de Wajong-uitkering een bijzondere prestatie is die in principe alleen aan in Nederland wonende personen mag worden toegekend.
Echter, het Hof stelde ook dat de woonplaatsvoorwaarde alleen mag gelden indien deze objectief gerechtvaardigd en evenredig is, en niet meer afbreuk mag doen aan de rechten van de betrokkene dan strikt noodzakelijk. Appellant had zijn sociaaleconomische banden met Nederland behouden en werkte daar nog, waardoor het beëindigen van de uitkering een ernstige belemmering van het vrije verkeer van werknemers vormt.
De Raad constateerde dat op het moment van beëindiging (1999) nog geen hardheidsclausule bestond die export van de uitkering mogelijk maakt. Daarom kon het nationale recht niet in overeenstemming met het EU-recht worden toegepast. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen, rekening houdend met het EU-recht. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden en werden proceskosten aan appellant toegekend.
Uitkomst: De beëindiging van de Wajong-uitkering wegens verblijf in België is vernietigd en het UWV moet een nieuwe beslissing nemen met inachtneming van het EU-recht.