ECLI:NL:CRVB:2008:BC5096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid verblijf op opgegeven woonadressen
Appellante diende op 27 december 2005 een aanvraag om bijstand in en gaf aan sinds begin december 2005 bij een kennis te wonen op een adres waar zij ook stond ingeschreven. Na onderzoek en een onaangekondigd huisbezoek bleek haar woonsituatie onduidelijk: zij kon geen huurcontract of betalingsbewijzen overleggen, en er waren weinig persoonlijke bezittingen aanwezig in de woning.
Het College wees de aanvraag af omdat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij op de opgegeven adressen verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellante voerde verweer, maar de Raad oordeelde dat het tijdens de bezwaarfase overgelegde huurcontract geen betekenis had omdat het contract pas na de aanvraagdatum was ondertekend en appellante aanvankelijk verklaarde geen contract te hebben.
De Raad stelde vast dat de administratieve bescheiden in de woning niet overtuigend waren en dat de bankafschriften op naam van een vriendin stonden. Hierdoor kon het recht op bijstand ten tijde van de aanvraag niet worden vastgesteld. Een latere toekenning van bijstand op een ander moment deed hieraan niets af. De Raad bevestigde daarom de afwijzing en de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellante wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van haar verblijf op de opgegeven woonadressen.