ECLI:NL:CRVB:2008:BC4483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- T. Hoogenboom
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WW-uitkering na verhuizing naar Duitsland zonder ondubbelzinnige toezegging
Appellante was parttime werkzaam en ontving een WW-uitkering na het beëindigen van haar dienstverband. Het UWV beëindigde haar WW-uitkering per 19 juli 2004 omdat zij naar Duitsland was verhuisd, wat volgens artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW het recht op uitkering uitsluit.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat zij niet meer in Nederland woonde en geen sprake was van vakantie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij zich op artikel 69 van Pro Verordening (EEG) nr. 1408/71 kon beroepen en dat het UWV tegenstrijdige informatie had verstrekt, waardoor zij zich op het vertrouwensbeginsel kon beroepen.
De Raad volgde de rechtbank en oordeelde dat appellante niet kon aantonen dat zij naar Duitsland was verhuisd om daar werk te zoeken, zodat artikel 69 niet Pro van toepassing was. Ook was artikel 71 niet Pro van toepassing omdat zij in Nederland woonde tijdens haar laatste werkzaamheden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van het UWV was gedaan en het gestelde vertrouwen niet gedragsbepalend was.
Hierdoor werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WW-uitkering bevestigd.