ECLI:NL:CRVB:2008:BC4066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op loongerelateerde WW-uitkering bij niet-ontvangen loon in relevante jaren
Appellant heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van het UWV die hem een kortdurende WW-uitkering toekende en zijn bezwaar daartegen ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betreft de toepassing van de 4 uit 5 eis uit artikel 17 WW Pro, die vereist dat in de vijf kalenderjaren voorafgaand aan het jaar van de eerste werkloosheidsdag in ten minste vier kalenderjaren over 52 dagen of meer loon is ontvangen.
De rechtbank Arnhem oordeelde dat appellant niet heeft aangetoond dat hij in de jaren 2001 en 2002 loon heeft ontvangen, ondanks dat hij in dienst was van zijn werkgever en diens rechtsvoorganger. Appellant stelde dat loon vorderbaar en inbaar was en dat hij een bovenmatige onkostenvergoeding ontving die als loon moet worden beschouwd. Dit werd door de rechtbank en de Raad verworpen wegens gebrek aan bewijs van daadwerkelijke ontvangst.
De Raad bevestigt dat het voor de 4 uit 5 eis gaat om daadwerkelijk genoten loon uit een dienstbetrekking en niet om vorderbaar loon. De door appellant ingediende loonvordering heeft niet geleid tot loonbetaling. De onkostenvergoeding is niet aantoonbaar betaald. De eerdere uitkering op grond van Hoofdstuk IV WW heeft betrekking op 2003 en valt buiten de relevante periode. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd omdat appellant niet voldoet aan de 4 uit 5 eis voor een loongerelateerde WW-uitkering.