Art. 32 WWBArt. 54 lid 3 WWBArt. 58 lid 1 WWBArt. 58 lid 4 WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevoegdheid tot terugvordering bijstandsuitkering en beoordeling redelijkheid gebruik bevoegdheid
Appellante ontving vanaf 3 juni 2004 een bijstandsuitkering volgens de norm voor een alleenstaande. Het College stelde vast dat de ex-echtgenoot van appellante de hypotheek- en rentelasten van de woning betaalde en herzag daarom bij besluit van 26 april 2005 de bijstand over de periode tot 31 januari 2005, waarna het een bedrag van € 2.167,66 terugvorderde.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, maar appellante stelde zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak. Tijdens het hoger beroep verlaagde het College bij besluit van 17 december 2007 de terugvordering tot € 1.447,90 door af te zien van bruto-terugvordering van loonbelasting en premies.
De Raad oordeelt dat het College bevoegd was de bijstand te herzien en terug te vorderen, maar dat het oorspronkelijke besluit van 17 november 2005 onredelijk was en vernietigt dit besluit. Het latere besluit van 17 december 2007 blijft in stand. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het het besluit van 17 november 2005 betreft en ongegrond voor het latere besluit.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot terugvordering van 17 november 2005 wordt vernietigd.
Uitspraak
06/6951 WWB
07/6989 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 november 2006, 05/9495 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 29 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 18 december 2007, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellante ontving vanaf 3 juni 2004 een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
Nadat het College gebleken was dat de ex-echtgenoot van appellante de hypotheek- en rentelasten van de door appellante bewoonde woning betaalde heeft het College bij besluit van 26 april 2005 de bijstand over de periode van 3 juni 2004 tot en met 31 januari 2005 herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 2.167,66 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 17 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit 26 april 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 17 november 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
Hangende hoger beroep heeft het College bij besluit van 17 december 2007 het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2005 in zoverre gegrond verklaard dat het bedrag van de terugvordering verlaagd wordt met de kosten van loonbelasting en de premie volksverzekeringen en nader wordt vastgesteld op € 1.447,90.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
De Raad stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat appellante over de periode in geding inkomsten als bedoeld in artikel 32 vanPro de WWB heeft ontvangen en dat van schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is.
Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat het College bevoegd was de bijstand over de periode van 3 juni 2004 tot en met 31 januari 2005 op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder b, van de WWB te herzien. In hetgeen door appellante is aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat aan de voorwaarden voor de bevoegdheid van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB in het geval van appellante is voldaan.
Het College heeft gehandeld in overeenstemming met het ter zake van terugvordering gehanteerde, door de Raad niet onredelijk geachte beleid. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van het beleid had moeten afwijken.
Op grond van artikel 58, vierde lid, tweede volzin, van de WWB, kunnen loonbelasting en premies volksverzekeringen, waarvoor de gemeente die de bijstand verstrekt inhoudingsplichtige is, alsmede de ziekenfondspremie worden teruggevorderd voor zover deze belastingen en premies niet verrekend kunnen worden met de belastingdienst en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Met betrekking tot de vraag of het College in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de in voornoemd artikel neergelegde bevoegdheid tot bruto-terugvordering stelt de Raad vast dat het College een nader besluit van 17 december 2007 heeft genomen waarbij het College alsnog heeft afgezien van bruto-terugvordering en het bedrag van de terugvordering dienovereenkomstig heeft verlaagd. Het besluit van 17 november 2005, voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering, komt reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak eveneens voor vernietiging in aanmerking komt. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het besluit van 17 november 2005 voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering vernietigen.
De Raad zal vervolgens het nader genomen besluit van 17 december 2007 met toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb mede bij de beoordeling betrekken. Uit het voorgaande vloeit voort dat dit besluit in stand kan blijven. Het beroep voor zover dat geacht wordt mede gericht te zijn tegen het besluit van 17 december 2007 dient derhalve ongegrond te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 17 november 2005 voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 17 december 2007 ongegrond;
Bepaalt dat de gemeente ’s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 142,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2008.