ECLI:NL:CRVB:2008:BC3522
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde aanvraag tot herziening AOW-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft herhaaldelijk verzocht om herziening van zijn AOW-uitkering met betrekking tot de periode van 1 maart 1982 tot 31 augustus 1983, stellende dat hij naast zijn werkzaamheden bij de Europese Octrooi Organisatie ook als directeur van een Nederlandse BV werkzaam was. Deze feiten waren volgens appellant niet bekend bij de Sociale verzekeringsbank (Svb).
De Svb heeft de verzoeken steeds afgewezen omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die rechtvaardigen dat van een eerder rechtens onaantastbaar besluit wordt teruggekomen. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep hebben deze afwijzingen bevestigd. De Raad overwoog dat de Koninklijke Besluiten die appellant aanvoert niet van toepassing zijn op de periode in kwestie en dat het beroep op het IAO-verdrag onvoldoende onderbouwd is.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro niet is overschreden. De Raad concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening van de AOW-uitkering wordt niet toegekend wegens ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.