ECLI:NL:CRVB:2008:BC3307
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten bij WW-uitkering
Appellant was werkzaam als onderhoudsschilder op basis van tijdelijke arbeidsovereenkomsten die eindigden per 9 januari 2006. Na het einde van zijn dienstverband vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant vanaf 22 december 2005 wist dat zijn contract niet werd verlengd, maar geen sollicitatieactiviteiten had verricht om passend werk te vinden.
Het UWV legde daarom een maatregel op waarbij de WW-uitkering werd verlaagd van 70% naar 50% van het dagloon gedurende 16 weken. Appellant maakte bezwaar tegen deze maatregel, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had gedaan om passend werk te vinden, ook niet tijdens de wintersluiting in de schildersbranche. De Raad verwierp het beroep van appellant op een collectieve wintersluiting en op vergelijkbare uitspraken en besluiten. De maatregel werd als proportioneel en terecht beoordeeld.
De Raad wees ook op het beleid van het UWV dat van werknemers wordt verlangd dat zij vanaf het moment dat het einde van het dienstverband redelijkerwijs duidelijk is, sollicitatieactiviteiten ondernemen. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat er geen passende arbeid voor hem beschikbaar was. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De maatregel van het UWV tot verlaging van de WW-uitkering wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten wordt bevestigd.