ECLI:NL:CRVB:2008:BC2997

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-980 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens geschiktheid voor eigen werk na wachttijd

Appellant had bezwaar gemaakt tegen de weigering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem een WAO-uitkering toe te kennen per 21 oktober 2001, na het doorlopen van de wettelijke wachttijd van 52 weken. De rechtbank Maastricht had het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van het Uwv gehandhaafd. In hoger beroep betoogde appellant dat het Uwv het oordeel over zijn medische toestand ten tijde van de aanvang van de verzekering onjuist had toegepast en dat hij niet geschikt kon worden geacht voor zijn eigen werk, mede omdat het dienstverband bij zijn werkgever was beëindigd en een gedetailleerde beschrijving van zijn werkzaamheden en belastende factoren ontbrak.

De Centrale Raad van Beroep stelde zich achter de overwegingen van de rechtbank en oordeelde dat de beschikbare gegevens voldoende steun boden aan het oordeel van het Uwv dat appellant op 21 oktober 2001, het moment waarop de wachttijd was verstreken, geschikt was voor zijn eigen werk. De Raad vond de aangevoerde argumenten onvoldoende onderbouwd om tot een ander oordeel te komen of een nader medisch onderzoek in te stellen. Tevens achtte de Raad geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad voegde toe dat de bezwaararbeidsdeskundige zich op basis van een rapportage een duidelijk beeld had kunnen vormen over het eigen werk van appellant en dat het aannemelijk was dat deze arbeid met gelijke belasting en beloning op de arbeidsmarkt voorkwam. De uitspraak bevestigt daarmee het eerdere besluit van het Uwv en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat appellant geschikt werd geacht voor zijn eigen werk op de datum van het einde van de wachttijd.

Uitspraak

06/980 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 januari 2006, 05/777 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 25 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.M.J. van der Maas hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2007. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Krijnen.
II. OVERWEGINGEN
De feiten die in de aangevallen uitspraak zijn vermeld, worden door partijen niet betwist en vormen ook voor de Raad het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming.
In de aangevallen uitspraak is ongegrond verklaard het beroep tegen de beslissing op bezwaar van het Uwv van 21 maart 2005 (hierna: het bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 mei 2003, waarbij de primaire beslissing van 10 oktober 2001, inhoudende een weigering om aan appellant per 21 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen, wederom – zij het op andere gronden – is gehandhaafd.
In hoger beroep heeft appellants gemachtigde herhaald dat het Uwv bij het nemen van het bestreden besluit op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 22 mei 2003. Zij is van mening dat in het bestreden besluit opnieuw een oordeel besloten ligt over de medische toestand van appellant ten tijde van de aanvang van de verzekering op 22 mei 2000. Voorts stelt appellant zich op het standpunt dat hij niet in staat kan worden geacht geschikt te zijn voor zijn eigen werk omdat het WIW-dienstverband bij de eigen werkgever niet meer bestaat en een gedetailleerde beschrijving van zijn werkzaamheden zoals hij die in 2000 heeft verricht, met de daarbij behorende belastende factoren, ontbreekt.
De Raad ziet het hoger beroep niet slagen en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
In geding is appellants gezondheidstoestand op 21 oktober 2001, zijnde de datum waarop de wettelijke wachttijd van – destijds – 52 weken is volgemaakt. De Raad is van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellant op die datum, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt was voor zijn eigen werk. Hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, maar overigens niet is onderbouwd met nadere gegevens, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
Met betrekking tot het oordeel dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk voegt de Raad aan de overwegingen van de rechtbank terzake nog toe dat de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald zich blijkens zijn rapportage van
24 februari 2005 een voldoende duidelijk beeld heeft kunnen vormen over dat eigen werk. De Raad neemt tevens in aanmerking dat zonder meer aannemelijk is dat deze arbeid met een gelijke belasting en beloning ten tijde hier van belang op de arbeidsmarkt (in voldoende mate) voorkwam.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2008.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
JL