ECLI:NL:CRVB:2008:BC2953
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering medische beperkingen
Appellant ontving sinds 2001 een WAO-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2004 stelde de verzekeringsarts beperkingen vast en werd de uitkering ingetrokken op basis van een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De arbeidsdeskundige selecteerde passende functies en berekende een lagere arbeidsongeschiktheid.
In bezwaar en hoger beroep werd de medische en arbeidskundige beoordeling nader onderzocht. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant belastbaar was zonder beperkingen, wat leidde tot een FML zonder beperkingen. De arbeidsdeskundigen bevestigden echter de passendheid van de functies op basis van eerdere beperkingen. Appellant voerde aan dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet zorgvuldig was en overhandigde aanvullende medische verklaringen.
De Raad constateerde tegenstrijdigheden in de medische rapportages en onvoldoende motivering waarom beperkingen uit eerdere FML's waren vervallen. De medische grondslag van het besluit was daardoor niet deugdelijk gemotiveerd, wat strijdig was met de Awb. De Raad vernietigde het besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.