ECLI:NL:CRVB:2008:BC2942
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn bestuursprocedure
Appellante diende in 1997 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, die pas in 2001 definitief werd toegekend na langdurige bezwaarprocedures. Zij stelde dat de afhandeling van haar zaak de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro had overschreden, wat haar geestelijk leed had veroorzaakt. Het UWV weigerde een immateriële schadevergoeding toe te kennen en stelde dat vergoeding van wettelijke rente voldoende compensatie was.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden, maar vond dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand konden blijven en wees een immateriële schadevergoeding af. De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de feitelijke spanning en frustratie die appellante had ervaren.
De Raad oordeelde dat appellante recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €3.000 vanwege de langdurige overschrijding van de beslistermijn. Tevens werd het bestreden besluit vernietigd en trad de uitspraak van de Raad in de plaats daarvan. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.
Uitkomst: Appellante krijgt een immateriële schadevergoeding van €3.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend.