ECLI:NL:CRVB:2008:BC2938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen uitblijven anticumulatiebeslissing WAO
Appellante had bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing omtrent de toepassing van artikel 44 van Pro de WAO en vervolgens beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op dat bezwaar. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat reeds op 24 januari 2001 een besluit was genomen over de toepassing van artikel 44 WAO Pro, dat inmiddels rechtens onaantastbaar was.
De rechtbank verklaarde zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover het ging om de toekenning van een WAO-uitkering per 25 oktober 1999 en verklaarde het beroep voor het overige ongegrond. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het besluit van 2001 slechts betrekking had op het tijdvak tot 1 augustus 1996 en dat geen rekening was gehouden met haar ziekmelding in 1998.
De Raad overwoog dat het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing terecht niet-ontvankelijk was verklaard omdat het Uwv al een besluit had genomen. Verder was het bestreden besluit ook een eerste reële beslissing over de WAO-uitkering vanaf 25 oktober 1999. De brief van appellante van 14 september 2004 werd terecht als bezwaarschrift tegen de toekenning van de WAO-uitkering aangemerkt en doorgezonden aan het Uwv.
De Raad oordeelde dat de totale duur van de procedure niet leidde tot een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM. Het hoger beroep kon niet slagen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing over artikel 44 WAO en verklaart het hoger beroep ongegrond.