ECLI:NL:CRVB:2008:BC2197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van beëindiging WAZ-uitkering na beoordeling medische en arbeidskundige geschiktheid
Appellant, een zelfstandig verzekeringsagent, kreeg sinds 1999 een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na beëindiging van zijn bedrijf in 2000 werd zijn uitkering herbeoordeeld. De verzekeringsarts concludeerde in 2004 dat appellant slechts geringe beperkingen had en geschikt was voor zijn eigen werk. De arbeidsdeskundige bevestigde dit en stelde dat appellant geschikt was voor passende functies.
Het UWV beëindigde daarop de uitkering per november 2004. Appellant maakte bezwaar, stellende dat zijn beperkingen werden onderschat en dat het UWV-beleid onjuist werd toegepast door niet uit te gaan van passende functies in loondienst. De rechtbank verwierp het beroep en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad vond geen reden om te twijfelen aan het medische oordeel en oordeelde dat de geschiktheid voor de maatmanarbeid in beginsel de afwezigheid van arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. Ook het argument van appellant dat de schatting van zijn verdiencapaciteit geen realiteitswaarde heeft, werd verworpen. De Raad benadrukte dat zelfstandigen zelf hun bedrijf kunnen beëindigen en dat bedrijfseconomische factoren buiten beschouwing blijven bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat appellant per 2 augustus 2004 in staat was zijn eigen werk te verrichten en dat het hoger beroep ongegrond was. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Utrecht werd bevestigd, en de uitkering werd terecht beëindigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WAZ-uitkering omdat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.