ECLI:NL:CRVB:2008:BC2059

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-848 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding no-claimkorting ziektekostenverzekering voor oogletsel burger-oorlogsslachtoffer

Appellante, erkend als burger-oorlogsslachtoffer met oogklachten door oorlogsgeweld, verzocht vergoeding van een no-claimkorting van €255 op haar ziektekostenverzekering. Deze korting werd haar onthouden vanwege gedeclareerde medische kosten van €407,48.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees dit verzoek af omdat de no-claimteruggave een premiekostenvergoeding betreft en geen vergoeding van medische behandelingen. Appellante stelde dat hierdoor noodzakelijke medische kosten niet vergoed worden.

De Raad overwoog dat de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 volledige vergoeding biedt voor noodzakelijke medische kosten die niet door een ziektekostenverzekering worden gedekt. Omdat appellante haar medische kosten al volledig vergoed kreeg van haar zorgverzekeraar, zijn er geen blijvende kosten ten laste van haar.

De misgelopen no-claimkorting wordt gezien als een premiekostenkwestie en valt niet onder de vergoeding op grond van de Wet. Daarom is het beroep ongegrond verklaard en is geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding van de no-claimkorting wordt geweigerd.

Uitspraak

07/848 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellante],
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 9 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 18 januari 2007, kenmerk JZ/R80/2006 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Appellante is daar in persoon verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellante erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet. Hierbij is aanvaard dat de oogklachten van appellante in het door de Wet vereiste verband staan met het meegemaakte oorlogsgeweld.
In oktober 2006 heeft appellante verzocht om toekenning van een vergoeding van de no-claimkorting van € 255,-- op haar ziektekostenverzekering die haar door haar zorgverzekeringsmaatschappij is onthouden vanwege daar in verband met het oogletsel van appellante gedeclareerde medische kosten van € 407,48 in totaal.
Dit verzoek heeft verweerster bij besluit van 14 november 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, afgewezen op de grond dat de no-claimteruggave een teruggave van premiekosten betreft, zodat geen sprake is van kosten voor een medische behandeling.
In bezwaar en beroep heeft appellante aangevoerd - samengevat - dat dit formele standpunt van verweerster feitelijk tot gevolg heeft dat op grond van de Wet voor vergoeding in aanmerking komende medische kosten toch niet worden vergoed.
De Raad overweegt ter zake als volgt.
Ingevolge artikel 32, eerste en tweede lid, van de Wet worden de ten laste van het burger-oorlogsslachtoffer blijvende, vanwege het oorlogsletsel noodzakelijke kosten van geneeskundige behandeling of verpleging en daarmee verband houdende voorzieningen volledig vergoed. In het vijfde lid van genoemd artikel is onder meer bepaald dat deze vergoeding slechts wordt verleend voor zover de kosten niet ten laste kunnen worden gebracht van een ziektekostenverzekering.
In dit geding staat vast dat de medische kosten van appellante die ertoe hebben geleid dat zij geen no-claimteruggave op haar ziektekostenverzekering heeft ontvangen, geheel en al betrekking hebben op haar causale oogletsel. Eveneens staat echter vast dat zij voor die medische kosten een algehele vergoeding van haar zorgverzekeringsmaatschappij heeft ontvangen. Daarmee staat ook vast dat geen sprake is van ten laste van appellante blijvende kosten van geneeskundige behandeling en/of voorzieningen als in artikel 32 van Pro de Wet bedoeld.
De omstandigheid dat appellante ten gevolge van de declaratie bij en vergoeding door haar zorgverzekeringsmaatschappij een premiekorting of premieteruggave is misgelopen, maakt het voorgaande niet anders. Uit de systematiek van de Wet vloeit voort dat premiekosten voor een ziektekostenverzekering als algemeen gebruikelijke, en derhalve niet voor vergoeding op grond van de Wet in aanmerking komende kosten moeten worden gezien.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Gerling-Brouwer en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD