ECLI:NL:CRVB:2008:BC1996

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6892 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 19 Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering

Appellant, geboren in 1942 uit een gemengd huwelijk met een joodse moeder, vroeg in maart 2006 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering. Verweerster wees dit af omdat niet was vastgesteld dat appellant persoonlijk door oorlogsgeweld was getroffen. De Raad bevestigt deze afwijzing.

De Raad stelt vast dat volgens artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 erkenning alleen mogelijk is als iemand lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door tegen hem gerichte handelingen van de vijandelijke bezetter of door confrontatie met extreem geweld tegen derden op jeugdige leeftijd.

Uit het onderzoek blijkt dat de huiszoeking niet tegen appellant of zijn moeder was gericht en niet met excessief geweld gepaard ging. Ook is niet gebleken dat appellant direct getuige was van het gewelddadig wegvoeren van familieleden. De psychische gevolgen van het oorlogstrauma van zijn moeder zijn onvoldoende om appellant als slachtoffer te erkennen.

De Raad oordeelt dat zolang niet is vastgesteld dat appellant persoonlijk door oorlogsgeweld is getroffen, geen aanleiding bestaat voor medisch onderzoek. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

06/6892 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant],
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 9 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 16 november 2006, kenmerk JZ/C60/2006, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2007. Het geding is gevoegd behandeld met de zaak 06/6890 WUV. Appellant is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, die is geboren [in] 1942 uit een zogenoemd gemengd huwelijk waarin de moeder de joodse partner was, heeft in maart 2006 bij verweerster een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet en in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en een toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden zoals bedoeld is in artikel 19 van Pro de Wet.
2. Bij besluit van 14 september 2006, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster de aanvraag afgewezen. Verweerster is van oordeel dat appellant geen gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht. Verweerster heeft daarbij overwogen dat niet is gebleken dat appellant persoonlijk is getroffen door oorlogsgeweld of dat sprake is van handelingen of maatregelen die tegen hem persoonlijk waren gericht, met name dat de door appellant meegemaakte huiszoeking niet jegens hem was gericht of gepaard ging met excessief geweld. Voorts is niet komen vast te staan dat appellant direct geconfron-teerd is geweest met het gewelddadig wegvoeren van familieleden.
3. In beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat het oorlogstrauma dat zijn joodse moeder heeft opgelopen ook voor hem ernstige psychische gevolgen heeft gehad en verweerster daarom ten onrechte geen medisch onderzoek heeft ingesteld om die gevolgen vast te stellen. Appellant heeft dit standpunt onderbouwd met verwijzing naar het oordeel van een keuringsarts van het toenmalige GAK uit 1984, die van mening was dat de ernstige hoofdpijnklachten van appellant verband hielden met de oorlogomstandigheden.
4. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
4.1. Op grond van artikel 2 van Pro de Wet wordt - samengevat en voor zover hier van belang - voor de toepassing van de Wet onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht of tengevolge van confrontatie op jeugdige leeftijd met extreem geweld tegen derden door de vijandelijke bezettende macht.
4.2. Uit het bepaalde in artikel 2 van Pro de Wet volgt derhalve dat voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer primair de voorwaarde geldt dat eerst moet komen vast te staan dat de aanvrager is getroffen door oorlogsgeweld als omschreven is in dat artikel alvorens aan de hand van een medisch onderzoek de gevolgen daarvan kunnen worden vastgesteld en zij rechtens een rol kunnen spelen.
4.3. Verweerster heeft naar de oorlogsomstandigheden van appellant een - naar het oordeel van de Raad - zorgvuldig te noemen onderzoek ingesteld waarbij archieven en relatiedossiers zijn geraadpleegd. Met betrekking tot de door appellant gemelde huis-zoeking en het getuige zijn van het oppakken en wegvoeren van de ouders van zijn moeder onderschrijft de Raad het standpunt van verweerster dat deze gebeurtenissen niet onder de werking van de Wet kunnen worden gebracht. Naar uit de gedingstukken blijkt was de huiszoeking niet tegen appellant persoonlijk noch tegen zijn moeder gericht en ook niet met extreem geweld gepaard is gegaan. Van een gewelddadig oppakken en wegvoeren van zijn grootouders is evenmin gebleken.
4.4. Op grond van het voorgaande is de Raad met verweerster van oordeel dat appellant niet getroffen is door oorlogsgeweld zoals door de Wet is bedoeld. De ernstige trau-matische oorlogservaringen van appellants moeder kunnen dat niet anders maken.
Dientengevolge kan de Raad zich verenigen met de opvatting van verweerster dat, zolang niet is komen vast te staan dat appellant getroffen is door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wet, voor het instellen van een medisch onderzoek zoals door appellant is gewenst geen aanleiding bestaat.
5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en R.P.Th. Elshoff als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.J.H. van Baalen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2008.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) M.J.H. van Baalen.
HD