ECLI:NL:CRVB:2008:BC1996
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- R.P.Th. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering
Appellant, geboren in 1942 uit een gemengd huwelijk met een joodse moeder, vroeg in maart 2006 erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en een WUBO-uitkering. Verweerster wees dit af omdat niet was vastgesteld dat appellant persoonlijk door oorlogsgeweld was getroffen. De Raad bevestigt deze afwijzing.
De Raad stelt vast dat volgens artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 erkenning alleen mogelijk is als iemand lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen door tegen hem gerichte handelingen van de vijandelijke bezetter of door confrontatie met extreem geweld tegen derden op jeugdige leeftijd.
Uit het onderzoek blijkt dat de huiszoeking niet tegen appellant of zijn moeder was gericht en niet met excessief geweld gepaard ging. Ook is niet gebleken dat appellant direct getuige was van het gewelddadig wegvoeren van familieleden. De psychische gevolgen van het oorlogstrauma van zijn moeder zijn onvoldoende om appellant als slachtoffer te erkennen.
De Raad oordeelt dat zolang niet is vastgesteld dat appellant persoonlijk door oorlogsgeweld is getroffen, geen aanleiding bestaat voor medisch onderzoek. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard.