ECLI:NL:CRVB:2008:BC1766
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde beroep in tegen het besluit van het UWV om een WAO-uitkering te weigeren per 22 oktober 2003, omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou bedragen. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat bij de beoordeling van zijn beperkingen onvoldoende rekening was gehouden met zijn rugklachten, waardoor de vastgestelde belastbaarheid onzorgvuldig zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep hechtte, net als de rechtbank, doorslaggevende waarde aan de rapportages van de verzekeringsartsen die na onderzoek vaststelden dat de rugfunctie goed was en er geen aanwijzingen waren voor radiculaire prikkeling. Omdat appellant geen aanvullende medische gegevens had overgelegd die een onderschatting van zijn beperkingen aannemelijk maakten, werd de medische grondslag van het besluit als juist aanvaard.
De Raad vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en oordeelde dat de vastgestelde belastbaarheid op goede gronden was gebaseerd. De weigering van de WAO-uitkering werd daarom bevestigd. De uitspraak werd gedaan door R.C. Stam, in aanwezigheid van griffier J.E.M.J. Hetharie, op 11 januari 2008.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.