ECLI:NL:CRVB:2008:BC1699

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6270 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAOArt. 18 lid 5 WAO
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van juiste toepassing van artikel 44 WAO door het UWV bij anticumulatie van WAO-uitkering

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin werd geoordeeld dat het UWV de WAO-uitkering correct heeft geanticumuleerd op grond van artikel 44 van Pro de WAO. De uitkering werd aangepast vanwege inkomsten uit arbeid in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2004, waarbij het UWV aannam dat appellant deze inkomsten niet duurzaam kon verwerven en daarom de uitkering betaalde alsof appellant in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse viel.

Appellant stelde dat de berekening van het UWV niet correct was omdat deze pas toegepast zou mogen worden als zijn inkomsten meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon bedroegen. De Raad overwoog echter dat artikel 44 WAO Pro geen dergelijke inkomensdrempel kent en dat de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 18 WAO Pro moet plaatsvinden. Bovendien speelt het uitkeringspercentage van 35% geen rol bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, maar pas bij de bepaling van het uitkeringsbedrag.

De Raad vond ook geen aanwijzingen dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld of toezeggingen heeft gedaan die in strijd zijn met artikel 44 WAO Pro. De gewijzigde situatie vanaf 1 augustus 2005, waarbij de anticumulatie eindigde, beïnvloedt het oordeel niet. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Breda en wees het beroep van appellant af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de anticumulatie van de WAO-uitkering correct heeft toegepast volgens artikel 44 WAO.

Uitspraak

05/6270 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 28 september 2005, 05/513 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2008
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2007. Appellant is verschenen in persoon. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B.H.C. de Bruijn.
II. OVERWEGINGEN
Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad met het volgende.
Aan appellant is een WAO-uitkering toegekend die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
In verband met door appellant in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2004 verrichte werkzaamheden – waarvan naar de opvatting van het Uwv niet vaststond dat appellant de inkomsten hieruit duurzaam zou kunnen verwerven – heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 44 van Pro de WAO en bepaald dat de uitkering wordt betaald als was appellant ingedeeld in de klasse van 35 tot 45%.
Appellant heeft in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv naar zijn mening op onjuiste wijze uitvoering heeft gegeven aan artikel 44 van Pro de WAO. Appellant bestrijdt niet de juistheid van de door het Uwv uitgevoerde berekening. Naar zijn mening geeft zijn inkomen echter geen aanleiding deze berekening uit te voeren.
Appellant heeft erop gewezen dat een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 45 tot 55% tot een uitkeringspercentage van 35% leidt. Hieruit dient naar zijn mening te worden afgeleid dat voor toepassing van artikel 44 van Pro de WAO – en de door het Uwv uitgevoerde berekening – eerst plaats is indien, kort samengevat, hij meer inkomsten geniet dan 65% van het loon dat hij verdiende in de functie waaruit hij is uitgevallen. Naar de stelling van appellant is in het overleg dat hij met de arbeidsdeskundige van het Uwv heeft gevoerd over zijn inkomsten en de mogelijke gevolgen voor zijn uitkering ook steeds van dit uitgangspunt uitgegaan.
De Raad overweegt als volgt.
In geding is de anticumulatie op grond van artikel 44 van Pro de WAO. In het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel is, voorzover hier van belang, bepaald dat indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, van de WAO kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet wordt ingetrokken of herzien. In plaats daarvan wordt die uitkering uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.
Uitgaande van deze samenhang tussen die in artikel 44 van Pro de WAO neergelegde kortingsregeling en artikel 18 van Pro de WAO is de Raad van oordeel dat de schatting van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 44 van Pro de WAO in beginsel op dezelfde wijze dient te geschieden als de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 18 van Pro de WAO.
Dit betekent in het geval van appellant dat op basis van zijn feitelijke inkomsten als docent bij het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers vaststelling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op basis van artikel 18 van Pro de WAO dient plaats te vinden.
Het Uwv heeft dit ook gedaan en appellant heeft niet bestreden dat op basis van deze berekening indeling in de (fictieve) arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% is aangewezen.
Het standpunt van appellant dat deze berekening eerst mag plaatsvinden indien zijn inkomsten stijgen boven de door hem bedoelde 65% vindt geen steun in de wet. Het standpunt van appellant gaat er overigens ook aan voorbij dat het percentage van 35, waarop hij zijn berekeningen baseert, het zogenoemde uitkeringspercentage is. Dit percentage speelt geen enkele rol bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Pas nadat de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld speelt dit door de wetgever gekozen percentage een belangrijke rol bij het bepalen van het bedrag aan uitkering waarop recht bestaat.
Hetgeen door appellant is gesteld omtrent de sedert 1 augustus 2005 bestaande situatie – per die datum is een einde gekomen aan de anticumulatie – leidt evenmin tot een ander oordeel. Hieruit blijkt geenszins dat de in geding zijnde anticumulatie onjuist is. Aan de anticumulatie is een einde gekomen in verband met een wijziging in de inkomsten van appellant per die datum.
Uit hetgeen appellant naar voren heeft gebracht is de Raad voorts niet kunnen blijken dat aan appellant door het Uwv toezeggingen zijn gedaan dat zijn verdiensten op een met artikel 44 van Pro de WAO strijdige wijze zullen worden geanticumuleerd.
Uit het vorenstaande volgt dat de wijze waarop het Uwv heeft geanticumuleerd in overeenstemming is met artikel 44 van Pro de WAO en de door appellant aangevoerde grieven geen doel treffen. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien het door appellant aangevochten besluit waarin zijn bezwaren tegen deze anticumulatie ongegrond zijn verklaard, te vernietigen.
De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
De Raad ziet geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard, als voorzitter en J. Brand en A.T. de Kwaasteniet als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lochs als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2008.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M. Lochs.
JL