ECLI:NL:CRVB:2008:BC1699
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste toepassing van artikel 44 WAO door het UWV bij anticumulatie van WAO-uitkering
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda waarin werd geoordeeld dat het UWV de WAO-uitkering correct heeft geanticumuleerd op grond van artikel 44 van Pro de WAO. De uitkering werd aangepast vanwege inkomsten uit arbeid in de periode van 1 februari 2004 tot en met 31 december 2004, waarbij het UWV aannam dat appellant deze inkomsten niet duurzaam kon verwerven en daarom de uitkering betaalde alsof appellant in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse viel.
Appellant stelde dat de berekening van het UWV niet correct was omdat deze pas toegepast zou mogen worden als zijn inkomsten meer dan 65% van zijn oorspronkelijke loon bedroegen. De Raad overwoog echter dat artikel 44 WAO Pro geen dergelijke inkomensdrempel kent en dat de vaststelling van de fictieve mate van arbeidsongeschiktheid overeenkomstig artikel 18 WAO Pro moet plaatsvinden. Bovendien speelt het uitkeringspercentage van 35% geen rol bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid, maar pas bij de bepaling van het uitkeringsbedrag.
De Raad vond ook geen aanwijzingen dat het UWV onrechtmatig heeft gehandeld of toezeggingen heeft gedaan die in strijd zijn met artikel 44 WAO Pro. De gewijzigde situatie vanaf 1 augustus 2005, waarbij de anticumulatie eindigde, beïnvloedt het oordeel niet. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Breda en wees het beroep van appellant af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de anticumulatie van de WAO-uitkering correct heeft toegepast volgens artikel 44 WAO.