Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2007:BC2066

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-6929 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering bijzondere bijstand voor kosten rechtsbijstand en griffierecht

Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor verschillende kosten gerelateerd aan rechtsbijstand en griffierecht, waarvan de aanvraag pas na het ontstaan van de kosten werd gedaan. Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde de bijzondere bijstand voor de meeste kostenposten vanwege het niet tijdig indienen van de aanvraag, conform het gemeentelijk beleid.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de WWB geen bijstand wordt verleend voor kosten die zijn gemaakt vóór de datum van de aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Het College hanteert een beleid waarbij een aanvraag voor bijzondere bijstand inzake kosten van gerechtelijke procedures vóór aanvang van de procedure moet worden ingediend, met een uitzondering voor een termijn van veertien dagen na afgifte van een toevoeging.

De Raad stelt vast dat het College dit beleid consistent heeft toegepast en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking rechtvaardigen. Hoewel het beleid niet algemeen bekend is gemaakt, is dat niet doorslaggevend. De aanvraag van appellant was te laat en daarom terecht afgewezen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijzondere bijstand wegens niet tijdige aanvraag.

Uitspraak

06/6929 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 1 november 2006, 06/1880 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2007. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren, werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant heeft op 1 december 2005 bijzondere bijstand aangevraagd voor - voor zover in dit geding van belang - de volgende kosten:
a. een eigen bijdrage kosten rechtsbijstand ten bedrage van € 19,20, voortvloeiende uit een op 17 september 2003 afgegeven toevoeging;
b. griffierecht ten bedrage van € 102,-- (gemaakt in 2004);
c. een eigen bijdrage kosten rechtsbijstand ten bedrage van € 44,50, voortvloeiende uit een door de Raad voor Rechtsbijstand op 11 april 2005 afgegeven toevoeging;
d. een eigen bijdrage kosten rechtsbijstand ten bedrage van € 105,91, voortvloeiende uit een op 12 oktober 2005 afgegeven toevoeging;
e. een eigen bijdrage kosten rechtsbijstand ten bedrage van € 53,55, voortvloeiende uit een op 15 november 2005 afgegeven toevoeging.
Bij besluit van 8 december 2005 heeft het College geweigerd voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 15 maart 2006 heeft het College alsnog bijzondere bijstand toegekend voor zover het betreft de onder e. genoemde kosten, met dien verstande dat op het bedrag na overleg met de betrokken advocaat een bedrag van € 8,55 in mindering is gebracht. Voor het overige is het besluit van 8 december 2005 gehandhaafd, waaraan onder verwijzing naar gemeentelijk beleid ten grondslag is gelegd dat de aanvraag voor de onder a. tot en met d. genoemde kostenposten niet tijdig is gedaan.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 15 maart 2006 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van artikel 43 en Pro 44 van de Wet werk en bijstand (WWB) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
De in geding zijnde kosten (a. tot en met d.) houden alle verband met door appellant gevoerde procedures. Niet in geschil is dat appellant voor deze kosten geen aanvraag om bijzondere bijstand heeft gedaan voorafgaand aan het starten van deze procedures.
Het gaat bij de vier kostenposten om vóór de aanvraag reeds opgekomen kosten. Derhalve is sprake van een aanvraag om verlening van bijzondere bijstand met terugwerkende kracht. De Raad ziet, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen over de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB, in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat in dit geval van het daar bedoelde uitgangspunt wordt afgeweken.
Het College hanteert met betrekking tot de kosten van gerechtelijke procedures (zoals kosten van rechtsbijstand en griffierecht) beleid. Uitgangspunt daarbij is dat een aanvraag voor bijzondere bijstand inzake deze kosten moet worden gedaan voordat met de procedure wordt gestart. Als een toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand is afgegeven, wordt de noodzaak van een eigen bijdrage in de kosten van rechtsbijstand en van de betaling van griffierecht aangenomen en kan de betrokkene volgens het beleid de aanvraag om bijzondere bijstand nog indienen binnen veertien dagen na de datum van afgifte van de toevoeging.
Het gaat hier om buitenwettelijk begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak betekent dit dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt aanvaard, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze is toegepast. Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat het besluit van 15 maart 2006 is genomen in overeenstemming met het door het College gehanteerde beleid. Daarbij tekent de Raad aan dat toepassing van dit beleid (na het accepteren van een geringe overschrijding van de termijn van veertien dagen) ertoe heeft geleid dat voor de onder e. genoemde kosten alsnog bijzondere bijstand is verleend.
Aan het voorgaande doet niet af dat het beleid van het College niet algemeen bekend is gemaakt. Het College heeft zich tegen de achtergrond van het uitgangspunt dat bijstand vooraf moet worden aangevraagd terecht op het standpunt gesteld dat appellant ook al op eerdere momenten dan de uiterste termijn volgens het beleid een aanvraag had kunnen indienen.
Evenals de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat het College de aanvraag om bijzondere bijstand voor de in geding zijnde kosten terecht heeft afgewezen. Het hoger beroep slaagt derhalve niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van Viegen en J.L.P.G. van Thiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.R. Bagga als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 december 2007.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.R. Bagga.
IJ