ECLI:NL:CRVB:2007:BC1475

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/7102 CSV, 06/7103, CSV, 06/7104 CSV, 06/7105 CSV en 06/7106 CSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid van het Uwv tot uitstel van betaling en schorsende werking van beroep

In deze zaak gaat het om hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2006, waarin de rechtbank de beroepen van appellanten ongegrond verklaarde. Appellanten, vertegenwoordigd door mr. F.H.H. Sijbers, hebben verzocht om uitstel van betaling van opgelegde correctienota's in het kader van de bezwaar- en beroepsprocedure. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze verzoeken afgewezen, met de reden dat het instellen van bezwaar de betalingsverplichting niet opschort. De rechtbank heeft deze afwijzing bevestigd, wat heeft geleid tot het hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad heeft in zijn uitspraak van 20 december 2007 geoordeeld dat aan het maken van bezwaar en het instellen van hoger beroep geen schorsende werking is verbonden. Dit betekent dat de appellanten hun betalingsverplichtingen moesten nakomen, ook al was er een bezwaarprocedure aan de gang. De Raad heeft echter ook vastgesteld dat het Uwv wel degelijk bevoegd is om uitstel van betaling te verlenen, en dat het beleid dat het Uwv hanteert in dit kader binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft.

De Raad heeft geconcludeerd dat er in het geval van appellanten geen sprake was van tijdelijke liquiditeitsproblemen, wat een voorwaarde is voor het verlenen van uitstel van betaling. Desondanks was het Uwv bereid om uitstel te verlenen onder de voorwaarde van een bankgarantie. De Raad heeft geoordeeld dat het Uwv in redelijkheid tot deze beslissing kon komen. Uiteindelijk heeft de Centrale Raad het hoger beroep van appellanten afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, zonder proceskostenveroordeling.

Uitspraak

06/7102 CSV
06/7103 CSV
06/7104 CSV
06/7105 CSV
06/7106 CSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant 1],
[Appellant 2],
[Appellant 3],
[Appellant 4],
[Appellant 5],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2006, 06/75, 06/76, 06/77, 06/78, 06/161 (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen
appellanten
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 20 december 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. F.H.H. Sijbers, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaken 06/6954, 06/6962, 06/6969, 06/6976, 06/6982, plaatsgevonden op 18 oktober 2007. Namens appellante is mr. Sijbers verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Voor een uitgebreide weergave van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met de vermelding van de volgende feiten.
Op 7 januari 2005 is namens appellanten verzocht om uitstel van betaling van de opgelegde correctienota’s voor de duur van de bezwaar- en beroepsprocedure. Bij besluiten van respectievelijk 12, 20 en 21 januari 2005 zijn deze verzoeken afgewezen, omdat het instellen van bezwaar de betalingsverplichting van appellanten niet opschort. Alleen indien appellanten een bankgarantie tot zekerheid verstrekken, heeft het Uwv zich bereid verklaard om gedurende de bezwaarperiode uitstel te verlenen. Het tegen de besluiten van 20 januari 2005 gemaakte bezwaren zijn bij besluiten van 1 december 2005 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten van 1 december 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Appellanten hebben zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Onder toepassing van artikel 6:16 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 19, eerste lid, van de Beroepswet en onderdeel C van de bijlage bij de Beroepswet, stelt de Raad vast dat aan het maken van bezwaar en het instellen van (hoger) beroep (tegen een uitspraak van de rechtbank inzake de toepassing van de Coördinatiewet Sociale Verzekering) geen schorsende werking is verbonden.
Ondanks het voorgaande is het Uwv bevoegd uitstel van betaling te verlenen. Het beleid dat het Uwv daarvoor heeft ontwikkeld is neergelegd in het Besluit incasso en invordering (Stcrt. 2000, 81). Naar vaste jurisprudentie van de Raad, onder meer blijkend uit de uitspraak van 7 juli 2005 (LJN: AT9358), is het Uwv met dat beleid gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.
Het beleid voorziet in geval van tijdelijke liquiditeitsproblemen in uitstel van betaling. Gebleken is dat er in de situatie van appellanten geen sprake was van tijdelijke liquiditeitsproblemen, zodat geconcludeerd moet worden dat het door het Uwv gevoerde beleid geen grond kan vormen voor toewijzing van hun verzoek. Desondanks is het Uwv bereid gebleken uitstel van betaling te verlenen onder de voorwaarde van verstrekking van een bankgarantie. De Raad is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het Uwv daartoe in redelijkheid niet kon komen. Reeds nu de invordering van de premieschulden bij het Uwv ligt, kan het beroep van appellanten op het door de belastingdienst gevoerde beleid, zoals neergelegd in de leidraad Invordering 1990, niet slagen. Dat in de toekomst de invordering mogelijk zal worden overgenomen door de belastingdienst, maakt dit niet anders.
Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van der Net als voorzitter en G. van der Wiel en F.J.L. Pennings als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 december 2007.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A. Badermann.
IJ