ECLI:NL:CRVB:2007:BC0041
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maatmanloon op wettelijk minimumloon voor langdurig werkloze arbeidsongeschikte
Appellant, laatst werkzaam als bouwkundig projectleider, was sinds eind 1998 werkloos en ontving vanaf maart 1999 een WW-uitkering die later werd omgezet in een vervolguitkering op basis van het wettelijk minimumloon. Na ziekmelding in 2003 weigerde het UWV een WAO-uitkering toe te kennen wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en de rechtbank bevestigde dit besluit.
Appellant stelde dat het maatmanloon op zijn laatstverdiende loon had moeten worden gebaseerd in plaats van het wettelijk minimumloon. De Raad oordeelde dat het UWV terecht de beleidsregel uit artikel 1, derde lid, van het Bulca toepaste, die bepaalt dat bij langdurige werkloosheid en geen loongerelateerde WW-uitkering het maatmanloon op het wettelijk minimumloon wordt gesteld.
De Raad verwierp het argument van appellant dat vanwege zijn leeftijd, 35-jarig arbeidsverleden en financiële achteruitgang van het gezin van deze regel afgeweken had moeten worden. Ook de stelling van indirecte leeftijdsdiscriminatie werd verworpen, omdat de beleidsregel ook op jongere arbeidsongeschikte werklozen van toepassing is en het onderscheid objectief en redelijk gerechtvaardigd is in het licht van het loondervingsbeginsel.
De Raad bevestigde de bestendige jurisprudentie dat voor langdurig werklozen een uitzondering geldt op de hoofdregel dat het maatmanloon wordt gebaseerd op de laatstvervulde functie. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen aanleiding gezien om af te wijken van deze lijn.
Uitkomst: Het maatmanloon is terecht vastgesteld op het wettelijk minimumloon en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.