ECLI:NL:CRVB:2007:BB9714
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- B.M. van Dun
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf en tewerkstellingsvergunning
Appellant, met de Afghaanse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en later een W-document dat rechtmatig verblijf aangaf, maar geen geldige tewerkstellingsvergunning. Hij werkte vanaf januari 2004 als verdeler bij Bakkerij Fuite B.V. totdat hij in december 2005 zijn werkzaamheden moest staken na een inval van de vreemdelingenpolitie. De werkgever ontsloeg hem op staande voet wegens het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning en misleiding.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. In bezwaar wijzigde het UWV het besluit en stelde dat appellant niet verzekerd was ingevolge de WW omdat hij illegaal had gewerkt zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het gewijzigde besluit een nieuw primair besluit was en dat hij ten onrechte werd geweigerd omdat hij premies had betaald en rechtmatig ingeschreven stond als werkzoekende. De Raad oordeelde dat het bezwaar een heroverweging betrof en dat het ontbreken van een tewerkstellingsvergunning en het niet-rechtmatig verblijf hem uitsluit van WW-rechten. De algemeen pardonregeling verleent geen terugwerkende kracht.
De Raad concludeerde dat appellant niet als werknemer in de zin van de WW kan worden aangemerkt en dat de weigering van de WW-uitkering terecht is. Ook de stelling dat de werkgever tekort is geschoten is niet doorslaggevend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en tewerkstellingsvergunning.