ECLI:NL:CRVB:2007:BB9338
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- K. Zeilemaker
- L.H. Waller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en onduidelijkheid woonadres
Appellant ontving bijstand sinds mei 2004 en gaf een woonadres op waar hij volgens onderzoek slechts sporadisch verbleef. Een onaangekondigd huisbezoek in maart 2005 toonde aan dat appellant niet feitelijk op het opgegeven adres woonde. Het College trok de bijstand met ingang van 1 maart 2005 in vanwege het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting en de onzekerheid over het recht op bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat het besluit tot intrekking geen beperkte periode betrof en dat de beoordeling zich richt op de periode vanaf 1 maart 2005 tot de datum van het besluit. De verklaring van de hoofdbewoner en de post op het oude adres ondersteunen het oordeel dat appellant niet op het opgegeven adres woonde.
De Raad concludeerde dat het College terecht gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot intrekking op grond van artikel 54 WWB Pro. De argumenten van appellant boden geen grond voor een ander oordeel. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting en onduidelijkheid over het woonadres.