ECLI:NL:CRVB:2007:BB9260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-pensioen wegens onverzekerde periode en nalatige premiebetaling
Appellant vroeg op 20 september 2003 een AOW-pensioen aan, dat op 20 februari 2004 werd toegekend met een korting van 4% wegens onverzekerde perioden in het buitenland en een korting van 18% wegens nalatige premiebetaling over negen jaren. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verklaarde het bezwaar tegen deze korting ongegrond. De rechtbank Utrecht bevestigde dit besluit op 20 mei 2005. In hoger beroep stelde appellant dat hij de brieven niet begreep en dat hem slechts onzorgvuldigheid, geen schuldige nalatigheid, kon worden verweten.
De Raad oordeelde dat appellant geen gebruik had gemaakt van de mogelijkheid om de achterstallige premies binnen de wettelijke termijn van vijf jaar alsnog te voldoen. Er waren geen redenen om het verzuim niet aan appellant toe te rekenen. De Raad vond ook geen aanleiding om getuigen te horen over werkzaamheden in de jaren 1966-1968, omdat deze niet relevant waren voor de kern van het geschil, namelijk de verzekeringsstatus in 1961, 1964 en 1965 en de premiebetaling.
Daarom werd het hoger beroep verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de korting op het AOW-pensioen bevestigd.