ECLI:NL:CRVB:2007:BB9166
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening WAO-uitkering wegens onjuiste belastbaarheid
Appellante viel sinds 1 februari 2002 uit voor haar werkzaamheden en kreeg per 31 januari 2003 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV herzag deze uitkering op 22 april 2004 naar 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op medische rapportages en een functionele mogelijkhedenlijst (FML). De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij de belastbaarheid en geschiktheid voor geselecteerde functies werden bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet beschikt over duurzaam benutbare mogelijkheden tot loonvormende arbeid en dat haar psychische beperkingen onvoldoende waren erkend. Zij verwees naar medische rapporten van een zenuwarts en psycholoog. Het UWV handhaafde de vastgestelde belastbaarheid en arbeidsongeschiktheid. De Raad beoordeelde de arbeidskundige onderbouwing, met name de geschiktheid van functies en de beperkingen op spreken en geluidsbelasting, en concludeerde dat de geselecteerde functies passend waren.
De Raad oordeelde dat het bestreden besluit niet voldoende was gemotiveerd bij het nemen, maar dat de latere rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige een voldoende inzichtelijke en toetsbare motivering boden. Daarom werd het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.