ECLI:NL:CRVB:2007:BB8260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- E. Dijt
- A.T. de Kwaasteniet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds medio 1986 samen met zijn echtgenote een cafetaria/snackbar dreef, staakte zijn werkzaamheden per 1 augustus 1994 wegens psychische klachten. Na een wachttijd kreeg hij een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend, eerst op grond van de AAW en later de WAZ. Uit een opsporingsrapport bleek dat appellant meer bedrijfsactiviteiten en inkomsten had dan door het UWV in aanmerking waren genomen, wat leidde tot herziening en terugvordering van uitkeringen.
Na medisch onderzoek door verzekeringsarts en psychiater werd geconcludeerd dat appellant geen beperkingen meer had die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. Op basis hiervan trok het UWV de WAZ-uitkering per 12 november 2001 in. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard, waarna ook de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep beperkte appellant zich tot de intrekking van de WAZ-uitkering per 12 december 2001. De Raad liet een onafhankelijke psychiater onderzoek doen, die geen psychiatrische diagnose stelde en concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk. De Raad volgde dit oordeel en zag geen aanleiding af te wijken van het vaste jurisprudentieprincipe dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige wordt gevolgd.
De brief van de behandelend psychiater van appellant leverde geen aanleiding tot twijfel op. De Raad bevestigde daarom de intrekking van de WAZ-uitkering per 12 december 2001 en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAZ-uitkering per 12 december 2001 wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid.