ECLI:NL:CRVB:2007:BB8099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- J.F. Bandringa
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na kennelijke misslag en terugvordering onverschuldigde betalingen
Appellante viel op 19 december 2002 uit wegens lichamelijke en psychische klachten. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden haar arbeidsongeschiktheid vast, aanvankelijk op 25-35%, maar bij besluit van 4 december 2003 werd een uitkering toegekend van 80-100%. Dit besluit werd later ingetrokken wegens een kennelijke misslag en vervangen door een besluit met een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (25-35%).
Na bezwaar en heroverweging werd de mate van arbeidsongeschiktheid verder herzien naar 15-25% met een effectuering per 17 oktober 2004. Appellante voerde aan dat het intrekken van het oorspronkelijke besluit onrechtmatig was en dat geen nieuw primair besluit was genomen voor de herziening per 17 oktober 2004.
De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit een kennelijke misslag was en dat de herziening binnen de reikwijdte van het primaire besluit viel. Het verbod op reformatio in peius werd gerespecteerd. De terugvordering van onverschuldigde WAO-uitkering over de periode 18 december 2003 tot en met 31 januari 2004 was rechtmatig. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken en oordeelde dat appellante niet in haar procesbelangen was geschaad, ondanks het ontbreken van professionele rechtsbijstand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen als rechtmatig.