ECLI:NL:CRVB:2007:BB7849
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting omtrent autobezit
Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds januari 2001 een bijstandsuitkering. Het College ontdekte dat zij in de periode van januari 2003 tot november 2004 meerdere auto's op hun naam hadden staan, wat niet was gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf januari 2003 wegens schending van de inlichtingenverplichting.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking deels gegrond, maar liet de intrekking over de periode tot november 2004 grotendeels in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het recht op bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en dat er onvoldoende bewijs was dat appellant of zijn echtgenote inkomsten hadden verworven in maanden waarin geen kentekenoverdracht plaatsvond.
Daarom vernietigde de Raad het besluit voor de gehele periode en beperkte de intrekking tot de maanden waarin kentekenregistraties daadwerkelijk waren beëindigd en auto's waren overgedragen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het besluit van het College herroepen voor zover het de intrekking over de gehele periode betrof.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt beperkt tot de maanden waarin kentekenregistraties zijn beëindigd en auto's zijn overgedragen.