ECLI:NL:CRVB:2007:BB7849

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-4982 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 54, derde lid, WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting omtrent autobezit

Appellant en zijn echtgenote ontvingen sinds januari 2001 een bijstandsuitkering. Het College ontdekte dat zij in de periode van januari 2003 tot november 2004 meerdere auto's op hun naam hadden staan, wat niet was gemeld. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf januari 2003 wegens schending van de inlichtingenverplichting.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze intrekking deels gegrond, maar liet de intrekking over de periode tot november 2004 grotendeels in stand. Appellant ging hiertegen in hoger beroep. De Raad oordeelde dat het recht op bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld en dat er onvoldoende bewijs was dat appellant of zijn echtgenote inkomsten hadden verworven in maanden waarin geen kentekenoverdracht plaatsvond.

Daarom vernietigde de Raad het besluit voor de gehele periode en beperkte de intrekking tot de maanden waarin kentekenregistraties daadwerkelijk waren beëindigd en auto's waren overgedragen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten van appellant. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het besluit van het College herroepen voor zover het de intrekking over de gehele periode betrof.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt beperkt tot de maanden waarin kentekenregistraties zijn beëindigd en auto's zijn overgedragen.

Uitspraak

06/4982 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 juli 2006, 05/3550 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 november 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.M.M. Brouwer, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2007. Voor appellant is verschenen mr. Brouwer. Het College heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] ontvingen sedert 23 januari 2001 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor gehuwden.
Naar aanleiding van een onderzoek naar autobezit is het College gebleken dat in de periode van 20 januari 2003 tot en met 8 november 2004 diverse auto’s op naam van appellant of zijn echtgenote hebben gestaan. Gelet hierop is nader onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de verleende gezinsbijstand. In dat kader zijn appellant en zijn echtgenote verzocht nadere inlichtingen te verstrekken, en onder meer een boekhouding over te leggen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 december 2004. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 3 januari 2005 de bijstand van appellanten in te trekken met ingang van 20 januari 2003.
Bij besluit van 19 april 2005 heeft het College het tegen het besluit van 3 januari 2005 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard op de grond dat appellanten hun inlichtingenverplichting hebben geschonden, waardoor hun recht op uitkering vanaf 20 januari 2003 niet te beoordelen is.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent kosten en griffierecht - het tegen het besluit van 19 april 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de ongegrond verklaring van het bezwaar tegen de intrekking over de periode na 8 november 2004 betreft en het primaire besluit van 3 januari 2005 in zoverre herroepen.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de periode van 20 januari 2003 tot en met 8 november 2004 in stand is gelaten.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat appellant en zijn echtgenote van het bezit en de overdracht van meer dan één auto geen mededeling hebben gedaan. Daarmee hebben zij de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Op grond van de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) staat ook vast gedurende welke maanden in de periode van
20 januari 2003 tot en met 8 november 2004 kentekenregistraties van op naam van appellant of zijn echtgenote staande auto's zijn beëindigd. Uit die gegevens blijkt voorts dat niet in alle maanden binnen deze hier te beoordelen periode kentekenregistraties zijn beëindigd. Gelet op de beschikbare gegevens acht de Raad het aannemelijk dat appellant of zijn echtgenote inkomsten in verband met de overdracht van de auto's hebben verworven of redelijkerwijs hebben kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en zijn overgedragen aan derden. Aangezien controleerbare gegevens hierover ontbreken kan, als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting, over die maanden hun recht op algemene bijstand niet (meer) worden vastgesteld. Dit wordt niet anders door het door appellant achteraf opgestelde winst- en verliesoverzicht en de verklaring van [N.]. Aangezien deze stukken onvoldoende verifieerbare gegevens bevatten behoefde het College naar aanleiding daarvan geen nader onderzoek in te stellen, zoals namens appellant is betoogd.
Nu het recht op algemene bijstand in beginsel per kalendermaand moet worden vastgesteld en er geen concrete aanwijzingen zijn dat appellant of zijn echtgenote in de overige maanden inkomsten hebben verworven of redelijkerwijs hebben kunnen verwerven, is er naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om aan te nemen dat het recht op bijstand (ook) niet kan worden vastgesteld over maanden waarin weliswaar kentekens op naam van een van hen stonden geregistreerd, maar waarin geen overdracht aan een derde heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de Raad tevens in aanmerking dat het College niet aan de besluitvorming ten grondslag heeft gelegd en op grond van de beschikbare gegevens ook niet aannemelijk is, dat de (rest)waarde van de auto's die op naam van appellant en zijn echtgenote geregistreerd hebben gestaan hoger is geweest dan het vrij te laten vermogen voor gehuwden.
Uit het vorenstaande volgt dat aan de voorwaarden voor intrekking met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB slechts is voldaan over de in de te beoordelen periode gelegen maanden waarin registraties van auto's op naam van appellant of zijn echtgenote bij de RWD zijn beëindigd en zijn overgedragen aan derden.
In hetgeen namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond gelegen om te oordelen dat het College had behoren af te wijken van zijn beleid om tot intrekking van bijstand over te gaan over tijdvakken waarvan moet worden aangenomen dat door schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld.
Hetgeen namens het College ter zake in het verweerschrift is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad tekent daarbij nog aan dat hij aan de grief van het College tegen de beslissing van de rechtbank om ook over de periode na 8 november 2004 de intrekking van bijstand ongedaan te maken voorbij gaat, nu de omvang van het door appellant ingestelde hoger beroep beperkt is tot het in stand laten van de intrekking van de bijstand over de periode van 20 januari 2003 tot en met 8 november 2004 en het College zelf geen hoger beroep heeft ingesteld. Dit betekent dat de Raad en het College moeten uitgegaan van de juistheid van de beslissingen van de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren, het besluit van 19 april 2005 te vernietigen en het primaire besluit te herroepen, voor zover deze betrekking hebben op intrekking van bijstand na 8 november 2004. Deze beslissingen van de rechtbank kunnen nu niet meer met vrucht worden bestreden en blijven dus onaangetast.
Het hoger beroep van appellant slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarbij de intrekking over de periode van 20 januari 2003 tot en met 8 november 2004 geheel in stand is gelaten. Doende hetgeen de rechtbank op dit punt zou behoren te doen, zal de Raad het besluit van 19 april 2005 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook in zoverre vernietigen. Met het oog op finale beslechting van het geschil zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het primaire besluit geheel worden herroepen en in de plaats daarvan worden bepaald tot welke tijdvakken de intrekking van de bijstand beperkt moet blijven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak en het besluit van 19 april 2005 voor zover daarbij de intrekking van bijstand over de periode van 20 januari 2003 tot en met 8 november 2004 geheel in stand zijn gelaten;
Herroept het besluit van 3 januari 2005;
Bepaalt dat de intrekking van de bijstand verdergaand moet worden beperkt en wel tot 20 tot en met 31 januari 2003, juli 2003, augustus 2003, september 2003, november 2003, januari 2004, februari 2004, april 2004, juni 2004, juli 2004, augustus 2004 en 1 tot en met 8 november 2004;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in hoger beroep, te betalen door de gemeente Zoetermeer aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Zoetermeer aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 105,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.J. van der Veen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 november 2007.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) R.J. van der Veen.
BKH