ECLI:NL:CRVB:2007:BB6244
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- G. van der Wiel
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onjuist hoofdverblijf en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand vanaf 1988 en werd door het College van B&W van ’s-Hertogenbosch aangesproken op onrechtmatigheden na een onderzoek naar haar hoofdverblijf en gezamenlijke huishouding met [S.]. Het College trok bijstand in vanaf 1 juli 1997 tot 1 maart 2005 en vorderde terugbetaling van € 37.572,43 wegens onjuiste opgave van haar woonadres en het voeren van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat onvoldoende bewijs bestaat voor een gezamenlijke huishouding in de periode 1 juli 1997 tot 23 maart 1998, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen en ontbrekende erkenning van het kind. Daarom wordt het besluit voor die periode vernietigd. Voor de periode vanaf 23 maart 1998 tot 26 mei 2005 is vastgesteld dat appellante haar hoofdverblijf buiten de gemeente had en de inlichtingenplicht schond, waardoor intrekking en terugvordering gerechtvaardigd zijn.
Het onderzoek door sociale recherche was niet geheel correct, maar niet onbetrouwbaar. Het College handelde binnen haar bevoegdheid en beleid bij terugvordering. De Raad vernietigt het eerdere besluit en bepaalt dat de bijstand over de periode 23 maart 1998 tot 26 mei 2005 wordt ingetrokken en € 34.177,63 wordt teruggevorderd. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over 23 maart 1998 tot 26 mei 2005 wordt bevestigd, de intrekking over 1 juli 1997 tot 23 maart 1998 vernietigd.