ECLI:NL:CRVB:2007:BB5902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WAO-uitkering ondanks bezwaar werkgever
De werkgever (appellante) maakte bezwaar tegen de toekenning van een WAO-uitkering aan haar werknemer wegens een vermeende lichte verwonding die volgens haar geen arbeidsongeschiktheid veroorzaakte. Het UWV handhaafde het besluit de uitkering toe te kennen op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% per einde wachttijd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat er onvoldoende indicaties waren dat de arbeidsongeschiktheid reeds bij aanvang van de verzekering bestond. Ook vond de rechtbank de inschatting van de beperkingen door het UWV niet onjuist, mede omdat de werkgever haar stellingen niet met objectieve medische feiten onderbouwde.
In hoger beroep voerde de werkgever aan niet op de hoogte te zijn geweest van de zitting, maar de Raad concludeerde dat de uitnodiging correct was verzonden en ontvangen. De Raad vond geen nieuwe feiten die aanleiding gaven het oordeel van de rechtbank te wijzigen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene Wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt ongegrond verklaard en de toekenning van de WAO-uitkering aan de werknemer wordt bevestigd.