ECLI:NL:CRVB:2007:BB5901
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens niet vastgestelde arbeidsongeschiktheid in 1994
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich op 11 juli 1994 ziek bij zijn werkgever en vertrok zonder toestemming naar Marokko. Het UWV weigerde ziekengeld toe te kennen omdat de arbeidsongeschiktheid niet met terugwerkende kracht kon worden vastgesteld. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad overwoog dat appellant pas jaren later een verzoek tot uitkering indiende en dat onduidelijkheid over zijn gezondheidstoestand in die periode voor zijn rekening komt. Medische rapporten, waaronder onderzoeken in Marokko, boden onvoldoende bewijs voor arbeidsongeschiktheid in de periode van 11 juli tot 5 augustus 1994. Ook een verklaring van een psychiater uit 1995 maakte het minder aannemelijk dat appellant toen al arbeidsongeschikt was.
Het ontbreken van een beoordeling door de Marokkaanse sociale zekerheidsinstantie (CNSS) en het feit dat geen andere medische gegevens beschikbaar waren, leidde tot de conclusie dat het UWV zorgvuldig heeft gehandeld. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van ziekengeld wordt bevestigd.