ECLI:NL:CRVB:2007:BB4795
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- C.W.J. Schoor
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering per 12 mei 2000 wegens onvoldoende medisch onderzoek niet gegrond
Appellante was sinds 31 augustus 1997 werkzaam als zorgassistente en viel uit wegens ziekte. Het UWV weigerde aanvankelijk per 8 april 1999 een WAO-uitkering toe te kennen, wat door de rechtbank werd vernietigd wegens onvoldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid bij aanvang. Na nieuw medisch onderzoek stelde het UWV opnieuw de uitkering per die datum te weigeren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en kende de uitkering toe van 8 april 1999 tot 12 mei 2000, maar beëindigde deze daarna.
Appellante stelde in hoger beroep dat de intrekking per 12 mei 2000 niet mocht zonder medisch en arbeidskundig onderzoek. De Raad oordeelde dat de rechtbank buiten het geschil was getreden door over die datum te oordelen zonder dat dit aan de orde was gesteld. Het UWV had pas in 2005 een primair besluit genomen over de intrekking, waartegen appellante bezwaar had gemaakt.
De Raad besloot het bezwaar tegen het besluit van 1 april 2005 door te leiden naar het UWV en stelde vast dat onvoldoende medisch onderzoek had plaatsgevonden rond 12 mei 2000, met name ten aanzien van psychische belastbaarheid. De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten van appellante in hoger beroep.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 12 mei 2000 wordt vernietigd wegens onvoldoende medisch onderzoek, bezwaar tegen besluit van 1 april 2005 wordt doorgeleid naar het UWV.