ECLI:NL:CRVB:2007:BB4207
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering WAO-uitkering bij zelfstandige met terugwerkende kracht
Appellant, een zelfstandige, had een WAO-uitkering die door het UWV werd beëindigd met terugwerkende kracht per 1 januari 2000 vanwege het overschrijden van het maatmaninkomen door zijn arbeidsinkomsten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond voor de jaren 2000 en 2001, omdat het UWV niet tijdig had gereageerd op zijn opgave van winst, waardoor het rechtszekerheidsbeginsel werd geschonden.
Voor de periode vanaf 1 januari 2002 oordeelde de rechtbank anders en stelde dat appellant rekening moest houden met de invloed van zijn bedrijfsresultaat op de uitkering. Het UWV nam daarop een nieuw besluit op bezwaar waarbij de WAO-uitkering per 1 januari 2002 werd beëindigd en het terugvorderingsbedrag werd verminderd.
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep tegen het besluit van 9 juli 2004 niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond. De Raad overweegt dat het rechtszekerheidsbeginsel in beginsel geldt, maar dat een uitzondering bestaat indien de betrokkene redelijkerwijs kennis had kunnen dragen van de gevolgen van zijn inkomsten voor de uitkering. Dit was het geval voor appellant vanaf 2002.
De Raad wijst het beroep af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat zelfstandigen rekening moeten houden met hun bedrijfsresultaat bij de beoordeling van hun WAO-uitkering en dat terugwerkende kracht aan de beëindiging van uitkeringen onder omstandigheden gerechtvaardigd kan zijn.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 10 februari 2006 ongegrond verklaard.