ECLI:NL:CRVB:2007:BB2395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.W.N. de Waard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door niet accepteren contractverlenging
Appellant was werkzaam als pannendekker op basis van een tijdelijk contract dat liep van 2 april 2002 tot 30 juni 2002. Na het einde van het contract heeft appellant geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot verlenging, terwijl de werkgever had verklaard bereid te zijn het contract te verlengen tot december 2002.
Het UWV weigerde de WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid omdat appellant zelf ontslag had genomen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en wees de WW-uitkering blijvend geheel af. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet verwijtbaar werkloos was en dat de verwijzing naar een telefoongesprek onjuist was.
De Raad overwoog dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet in staat was het contract te verlengen en dat er geen aanwijzingen waren voor problemen op het werk. De Raad bevestigde dat appellant door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en dat de WW-uitkering terecht werd geweigerd. De grief over de onjuiste verwijzing naar het telefoongesprek werd verworpen omdat dit geen invloed had op het oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt met ingang van 1 juli 2002 blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.