ECLI:NL:CRVB:2007:BB1956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens arbeidsongeschiktheid bij aanvang verzekering niet gerechtvaardigd
Appellante, sinds 1989 arbeidsongeschikt wegens klachten na een ongeval, kreeg aanvankelijk uitkeringen op grond van de AAW en WAO, maar deze werden in 1993 ingetrokken. Na een periode van bijstand trad zij in 2003 in dienst als administratief medewerkster, maar viel kort daarna uit wegens gezondheidsklachten. Het UWV weigerde haar ziekengeld op grond van artikel 44 ZW Pro, stellende dat zij bij aanvang van de verzekering al arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de beperkingen van appellante al sinds 1989 bestonden en dat zij niet geschikt was voor de functie. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij bij aanvang van de verzekering in goede gezondheid verkeerde en dat er geen deugdelijk medisch onderzoek was verricht naar haar toestand op dat moment.
De Raad oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat appellante bij aanvang van de verzekering op 18 augustus 2003 wegens ziekte ongeschikt was voor het werk. De medische gegevens waarop het UWV zich baseerde dateren uit 1992/1993 en er is geen recente medische informatie over haar toestand bij aanvang van de verzekering. De eerdere beperkingen zijn niet zonder meer van toepassing op de nieuwe functie. Daarom is het besluit tot weigering van ziekengeld onrechtmatig en dient het UWV een nieuw besluit te nemen.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan appellante wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van ziekengeld wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen.