ECLI:NL:CRVB:2007:BB1941
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- E. Dijt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellante, werkzaam als administratief medewerker, meldde zich ziek met diverse klachten waaronder spier-, gewrichts- en heupklachten. Na doorlopen van de wachttijd weigerde het UWV haar een uitkering op grond van de Ziektewet omdat zij geschikt werd geacht voor meerdere WAO-functies, waardoor zij minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar beperkingen aanzienlijk waren toegenomen en dat zij niet in staat was de WAO-functies te verrichten. Zij stelde dat verzekeringsartsen onvoldoende waren geïnformeerd door haar behandelend artsen. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante in staat was om ten minste twee WAO-functies te vervullen.
De Raad oordeelde dat de medische situatie op 14 april 2003 leidend is en dat de latere toekenning van een volledige WAO-uitkering in augustus 2003 niet relevant is voor deze beoordeling. De Raad volgde het deskundigenrapport en bevestigde dat appellante niet ongeschikt was voor alle WAO-functies. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld gehandhaafd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld bevestigd.