ECLI:NL:CRVB:2007:BB1916

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 augustus 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-764 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering na hersteldverklaring en medisch onderzoek

Appellant, voormalig tuinbouwmedewerker, meldde zich ziek met diverse klachten en werd na medisch onderzoek hersteld verklaard. Het UWV weigerde daarop verdere Ziektewetuitkering per 14 april 2005. Het bezwaar werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees het beroep af.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn klachten, ondanks medicatie, hem belemmerden in het werk en dat de werkbelasting onvoldoende was onderzocht. De Raad stelde vast dat de werkzaamheden adequaat waren beoordeeld door een bezwaarverzekeringsarts en dat nader onderzoek naar werkbelasting niet mogelijk was vanwege het faillissement van de werkgever.

De medische onderbouwing van het UWV werd als adequaat beoordeeld; er was geen objectieve medische oorzaak voor de beenklachten en de overige klachten vormden geen belemmering voor werk. Appellant bracht geen nieuwe medische informatie in. De Raad bevestigde daarom het besluit tot weigering van de Ziektewetuitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering per 14 april 2005.

Uitspraak

06/764 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2005, 05/2569 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 15 augustus 2007
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.G.B. Bergenhenegouwen, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juli 2007. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Appellant was tot het faillissement van zijn werkgever in 1998 werkzaam als tuinbouwmedewerker in de tomatenteelt. Sindsdien ontvangt hij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Vanuit die situatie heeft hij zich op 16 juli 2004 ziek gemeld met buikklachten en klachten aan het rechteronderbeen. Na onderzoek door een arts op 13 april 2005 is hij door deze per 14 april 2005 hersteld verklaard. Bij besluit van 13 april 2005 heeft het Uwv geweigerd appellant per 14 april 2005 verdere uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) te verstrekken. Het bezwaar tegen het besluit van 13 april 2005 heeft het Uwv bij besluit van 14 juni 2005 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat hij ondanks medicijngebruik zodanige knie-, darm- en rugklachten alsmede pijn aan de ribben heeft dat hij niet kan werken. Appellant meent voorts dat de belasting in zijn werk is onderschat en onvoldoende is onderzocht.
De Raad stelt vast dat de werkzaamheden die appellant als tuinbouwmedewerker bij een tomatenkweker verrichtte door de bezwaarverzekeringsarts J.C. Kokenberg in zijn rapportage van 8 juni 2005 globaal zijn weergegeven. Het gaat hier om een in de betreffende regio veel voorkomende functie waarvan de aard en belasting bij Kokenberg bekend kunnen worden verondersteld. Daar komt bij dat een onderzoek naar de daadwerkelijke belasting in deze functie gelet op het faillissement van de werkgever niet mogelijk is. Derhalve kan niet worden gezegd dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de belasting in het werk van appellant.
De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een adequate medische onderbouwing. Kokenberg heeft informatie gevraagd aan en verkregen van de huisarts van appellant en die bij zijn oordeel betrokken. Uit die informatie blijkt dat voor de beenklachten van appellant geen objectief medische oorzaak is gevonden.
De darmproblematiek is behandeld en voor de resterende darm- en maagklachten neemt appellant medicijnen. Kokenberg stelt zich op het standpunt dat deze klachten voor appellant geen belemmering vormen om zijn werkzaamheden te verrichten. De Raad ziet geen aanleiding het standpunt van Kokenberg niet te volgen. In dat verband is van belang dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht die een ander licht werpt op zijn gezondheidstoestand op de datum in geding.
Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het Uwv terecht appellant per 14 april 2005 verdere uitkering ingevolge de ZW heeft geweigerd. Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. van Netten als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 augustus 2007.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) A. van Netten.
JL