ECLI:NL:CRVB:2007:BB1239
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten UWV over weigering WAO-uitkering en ziekengeld
Appellant, geboren in 1960, stopte in 1991 met werken wegens ziekte en vroeg sindsdien aanspraak aan op WAO-uitkering en ziekengeld. Het UWV weigerde deze uitkeringen omdat appellant niet arbeidsongeschikt zou zijn volgens medisch onderzoek uit 2001 en omdat de arbeidsongeschiktheid niet onafgebroken 52 weken zou hebben geduurd. Daarnaast verklaarde het UWV appellant niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een beslissing over het ziekengeld, verwijzend naar een inmiddels vervallen wettelijke bepaling.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, waarbij zij oordeelde dat appellant het risico draagt van het ontbreken van medische gegevens uit 1992. In hoger beroep stelt appellant dat het UWV onzorgvuldig heeft gehandeld door het medisch onderzoek niet op de situatie in 1992 te richten en dat het hem niet kan worden verweten dat onduidelijkheid bestaat over die situatie.
De Raad oordeelt dat het UWV onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld bij de voorbereiding van het besluit en dat het medisch onderzoek niet gericht was op de relevante periode. Tevens is het besluit over het ziekengeld gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag. Daarom vernietigt de Raad de besluiten en beveelt het UWV nieuwe beslissingen te nemen, met inachtneming van de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De besluiten van het UWV worden vernietigd en het UWV dient nieuwe beslissingen te nemen met vergoeding van proceskosten aan appellant.