ECLI:NL:CRVB:2007:BB1134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening WW-dagloon na onjuiste vaststelling zonder nieuwe feiten
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, kreeg een WW-uitkering met een dagloon dat later onjuist bleek te zijn vastgesteld vanwege een fout in de werkinstructies van het UWV. Na beëindiging van de uitkering verzocht appellant om herziening van het dagloon met terugwerkende kracht, wat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat de onjuiste vaststelling van het dagloon geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro, en dat het UWV terecht heeft besloten alleen herziening toe te passen vanaf de datum van het verzoek. De Raad benadrukte dat het ontbreken van kennis over de fout en het ontbreken van motivering appellant niet vrijstelt van het tijdig aanwenden van rechtsmiddelen.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen werd eveneens verworpen. De Raad bevestigde dat het beleid van het UWV om herzieningen niet met terugwerkende kracht toe te passen, ook in vergelijkbare gevallen rechtmatig is. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wordt bevestigd.