ECLI:NL:CRVB:2007:BB1133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de sector Bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV in 2004 had vastgesteld dat in het verleden de dagloonvaststelling onjuist was vanwege niet meegenomen vroegpensioenpremies. Het UWV besloot herzieningen alleen toe te passen voor lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank wees het beroep van appellant af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze beslissing. De Raad oordeelt dat het feit dat het UWV een fout maakte in de dagloonvaststelling geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout niet kenbaar was, leidt niet tot een ander oordeel.
De Raad benadrukt dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden rechtsmiddelen te gebruiken tegen de oorspronkelijke vaststelling, maar dit niet deden. De belangenafweging van het UWV om herziening alleen vanaf het verzoek toe te passen is niet onredelijk. Verder faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel en andere aangevoerde gronden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien.