ECLI:NL:CRVB:2007:BB1123
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herzieningsverzoek WW-dagloon na onjuiste vaststelling zonder terugwerkende kracht
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden onjuist was vastgesteld vanwege niet meegenomen vroegpensioenpremies. Het UWV had het dagloon verhoogd vanaf de datum van het verzoek, maar weigerde terugwerkende kracht toe te passen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze beslissing.
De Raad oordeelde dat het feit dat het UWV in het verleden een fout maakte bij de dagloonvaststelling geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout voor appellant niet kenbaar was, werd verworpen. De Raad vond dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt door alleen lopende uitkeringen vanaf het verzoek te herzien.
Verder wees de Raad het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen af. Het beleid van het UWV om geen terugwerkende kracht toe te passen is niet onredelijk, ook niet gezien de eerdere jurisprudentie en het feit dat betrokkenen rechtsmiddelen hadden kunnen aanwenden. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het WW-dagloon wordt niet met terugwerkende kracht herzien, alleen vanaf de datum van het herzieningsverzoek.