ECLI:NL:CRVB:2007:BB1111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon wegens ontbreken nieuw feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV in 2004 ontdekte dat in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct was verwerkt, wat leidde tot een te laag vastgesteld dagloon. Het UWV besloot herzieningsverzoeken alleen te honoreren voor nog lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht.
De rechtbank wees het beroep van appellant af en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat het feit dat het UWV een fout maakte in de dagloonvaststelling geen nieuw feit of veranderde omstandigheid vormt zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. Ook het argument dat de fout voor appellant niet kenbaar was, faalt.
De Raad oordeelt dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt door herziening slechts vanaf het moment van het verzoek toe te staan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen wordt eveneens verworpen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van het UWV om het WW-dagloon met terugwerkende kracht te herzien wordt bevestigd.