ECLI:NL:CRVB:2007:BB1085
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten
Appellant, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van zijn WW-dagloon nadat het UWV had vastgesteld dat in het verleden de vroegpensioenpremie niet correct was meegenomen in de dagloonberekening. Het UWV besloot herziening alleen toe te passen voor lopende uitkeringen vanaf de datum van het verzoek, niet met terugwerkende kracht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het feit dat het UWV in het verleden een fout maakte bij de dagloonvaststelling geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De Raad benadrukt dat appellant en anderen de mogelijkheid hadden om tegen het besluit rechtsmiddelen te gebruiken, maar dit niet deden.
De Raad vindt de belangenafweging van het UWV zorgvuldig en evenwichtig en acht het niet onredelijk dat herziening slechts vanaf de datum van het verzoek plaatsvindt. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en nationale en internationale anti-discriminatiebepalingen faalt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering tot terugwerkende herziening van het WW-dagloon wordt bevestigd.