ECLI:NL:CRVB:2007:BB1036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WW-dagloon met terugwerkende kracht wegens ontbreken nieuw feiten
Appellante, werkzaam in de bouwnijverheid, verzocht om herziening van haar WW-dagloon nadat bleek dat het UWV in het verleden onjuist was vastgesteld. Het UWV besloot alleen herzieningen toe te passen vanaf de datum van het verzoek en niet met terugwerkende kracht, omdat de fout geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid vormde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat het UWV een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt en dat het weigeren van terugwerkende kracht niet onredelijk was. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel en discriminatie slaagde niet.
De Raad benadrukte dat het bestuursorgaan bij verzoeken tot terugkomen op eerdere besluiten mag eisen dat nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd. De kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit is op zichzelf onvoldoende. Het beroep van appellante werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV het WW-dagloon niet met terugwerkende kracht hoeft te herzien vanwege het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.