ECLI:NL:CRVB:2007:BB0563
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellanten ontvingen algemene bijstand vanaf november 1999 en bijzondere bijstand in 2001. Na een strafrechtelijk onderzoek naar hun betrokkenheid bij financiële transacties, concludeerde het College dat appellanten hun inlichtingenverplichting hadden geschonden door deze activiteiten niet te melden.
Het College trok de bijstand over de periode november 1999 tot november 2002 in en vorderde de kosten van bijstand terug. Appellanten voerden aan dat de transacties van beperkte omvang waren, geen inkomsten opleverden en niet gemeld hoefden te worden. De Raad verwierp deze argumenten, stellende dat de activiteiten op geld waardeerbaar waren en dat appellanten provisie ontvingen.
De Raad oordeelde dat de schending van de inlichtingenverplichting een geldige grond voor intrekking en terugvordering vormt. Het beleid van het College om bij onrechtmatige bijstand intrekking en terugvordering toe te passen is redelijk. Er waren geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken. De strafrechtelijke schuldverklaring zonder strafoplegging deed hieraan niet af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.